Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

135e uitspraak BOPA o.a. geen relatie + afstemming met exploitatievergunning en Wbr-vergunning, concurrentieverhoudingen spelen geen rol

Op 13 mei 2026 heeft de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2026:3170) de inmiddels 135e uitspraak gedaan over de BOPA. Deze uitspraak gaat over een BOPA-besluit voor de duur van 15 jaar inzake een shop bij een laadstation voor elektronische motorvoertuigen aan de Rijksweg A2.

13 May 2026

Enkele interessante overwegingen:

De vraag of verzoekster naast een omgevingsvergunning mogelijk ook een exploitatievergunning op grond van de Horecaverordening nodig heeft, ligt in deze procedure niet voor. De eis van onlosmakelijke samenhang, zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is met de invoering van de Omgevingswet namelijk vervallen (dat was een principe onder de Wabo, waarbij activiteiten die met elkaar samenhangen gelijktijdig moesten worden aangevraagd. Dit betekende dat als een project meerdere vergunningplichtige activiteiten omvatte, de aanvrager ervoor moest zorgen dat de omgevingsvergunning betrekking had op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het project).

Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zijn standpunt dat de uitbreiding de bestaande rechten van omliggende bedrijven niet beperkt, niet alleen heeft gebaseerd op de ruimtelijke onderbouwing van vergunninghoudster zelf maar ook op het in rechtsoverweging 11.1 weergegeven standpunt. Daarmee heeft het college zijn standpunt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. Ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de bestaande rechten van verzoekster niet worden beperkt. De overige argumenten van verzoekster zien op haar concurrentiebelang. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging echter geen in aanmerking te nemen belang.

Verzoekster voert tot slot aan dat het college in zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening houdt met het feit dat de Wbr-vergunning van vergunninghoudster op 7 mei 2029 verloopt en er op dit moment geen zekerheid bestaat over verlenging van de Wbr-vergunning. De looptijden van de huidige verleende vergunning en de Wbr-vergunning liggen te ver uit elkaar, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt dat de Wbr-vergunning en de omgevingsvergunning ieder hun eigen juridisch kader hebben en afzonderlijk van elkaar kunnen worden aangevraagd en verleend. Nu het vereiste van onlosmakelijke samenhang niet langer geldt onder de Ow, is niet vereist dat de duur van de vergunningen op elkaar is afgestemd. De beroepsgrond slaagt niet.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Vergunninghoudster heeft op 26 maart 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een tijdelijke shop bij haar laadstation op verzorgingsplaats [naam] , aan de rijksweg A2.

Met het besluit van 19 september 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de duur van 15 jaar. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 10 maart 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

In het besluit op bezwaar van 27 maart 2026 (bestreden besluit) heeft het college de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering in stand gelaten en de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

Feiten en omstandigheden

Vergunninghoudster exploiteert een laadstation voor elektrische motorvoertuigen met bijbehorende werken (laadstation) op verzorgingsplaats [naam] , op de locatie [adres] te [plaats] , gemeente Boxtel, aan de rechterzijde van rijksweg A2 (de locatie). Zij beschikt daartoe over een door de minister van Infrastructuur en Milieu (de minister) op 7 mei 20142 verleende vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr). Deze Wbr-vergunning heeft een looptijd van 15 jaar.

Verzoekster is ook actief op verzorgingsplaats [naam] , zij exploiteert daar een bemand tankstation met shop (servicestation).

Op 3 juni 2022 heeft vergunninghoudster de minister verzocht de aan haar verleende Wbr-vergunning te wijzigen ten behoeve van het behouden en onderhouden van een shop van ca. 120 m² met ruimtes voor detailhandel, sanitaire voorzieningen, ontspanning, opslag, technische installaties en personeel. Met het besluit van 26 juli 20233 heeft de minister de gevraagde Wbr-wijzigingsvergunning verleend. De looptijd van de vergunning - tot 7 mei 2029 - is daarbij niet gewijzigd.

Op 26 maart 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor de omgevingsplanactiviteit bouwen, ten behoeve van een tijdelijke kleinschalige shop bij haar laadstation op de locatie.

Met het besluit van 19 september 2025 heeft het college de door vergunninghoudster gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de duur van 15 jaar, voor de volgende activiteiten:

  • - omgevingsplanactiviteit: bouwen;
  • - buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa): afwijken van regels in het omgevingsplan;
  • - bouwactiviteit technisch.

Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden, waaronder het voorschrift dat de shop na een periode van 15 jaar dient te worden verwijderd en verwijderd te blijven.

Met het besluit op bezwaar van 27 maart 2026 (bestreden besluit) is het college bij haar besluit om de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster te verlenen, gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Ow in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het omgevingsplan van de gemeente Boxtel uit een tijdelijk deel. Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat.

Op de locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt daarom sinds 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Best.

Op grond van dit bestemmingsplan rusten op de locatie de bestemmingen: ‘Verkeer - Snelverkeer’, ‘Waarde - Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap', ‘Waarde -Historisch akkercomplex’ en ‘Waarde - Attentiegebied EHS’.

De wettelijke regels, bestemmingsplanregels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Bespreking beroepsgronden

Horen

Verzoekster voert aan dat haar gerechtvaardigde belangen onevenredig zijn geschaad door haar slechts via een digitale hoorzitting te horen in plaats van een fysieke hoorzitting.

Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat de hoorzitting wegens de weersomstandigheden in zijn geheel digitaal heeft plaatsgevonden. Verzoekster is tijdens de hoorzitting niet alleen door haar gemachtigde, maar nog door twee andere personen vertegenwoordigd. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat zij daadwerkelijk is gehoord. Verzoekster heeft haar stelling dat haar stelling dat zij in haar belangen is geschaad in het geheel niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Wegrestaurant in plaats van shop?

Verzoekster voert, samengevat, aan dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte wordt uitgegaan van normen voor een shop, terwijl in feite een wegrestaurant of horecabedrijf wordt vergund. Dat heeft tot gevolg dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Als enkel sprake zou zijn van een shop is een omvangrijke wachtruimte met zitgedeelte naar de mening van verzoekster niet passend. Bij een tankstation mag je geen stoeltjes neerzetten, omdat het dan een restauratieve voorziening zou zijn. Dat mag alleen bij een servicestation. Doordat vergunninghoudster het wachtruimte en shop noemt worden de regels omzeild en wordt de shop van vergunninghoudster nu feitelijk een restauratieve voorziening. Een ruimte met zitgedeeltes met restauratieve voorzieningen is immers kenmerkend voor een wegrestaurant, ook indien naast drinken alleen koud eten wordt aangeboden. Het beoogde gebruik moet voldoende duidelijk zijn, en dat is hier, vanwege de onduidelijke inrichtingstekening en het ontbreken van vergunningvoorschriften over het gebruik, het assortiment en de inrichting, niet het geval. In ieder geval kwalificeert de voorgenomen ontwikkeling als horecabedrijf in de zin van de Horecaverordening en had het college bij haar besluitvorming moeten betrekken dat op grond van de Horecaverordening ook een exploitatievergunning nodig is, aldus verzoekster.

Verder voert verzoekster aan dat een en ander doorwerkt op de AERIUS-berekening met betrekking tot de berekende stikstofdepositie en op de verkeersveiligheid, nu bij een wegrestaurant of horecabedrijf sprake is van een hogere verkeersaantrekkende werking en daarmee gepaard gaande hogere verkeersintensiteit. Ook daarmee heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden.

Het college stelt zich, met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:6917), op het standpunt dat er geen wegrestaurant is aangevraagd, noch is vergund. De shop heeft geen restaurantfunctie, beschikt niet over een warme keuken en is niet vergelijkbaar met een wegrestaurant. De aanvraag ziet uitsluitend op een kleinschalige shop als aanvullende voorziening bij het laadstation. Het beoogde gebruik betreft het aanbieden van een beperkte foodservice, sanitaire voorzieningen en een wachtruimte, zoals ook blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde stukken. De exacte interne inrichting van de shop is aan vergunninghoudster en wordt niet in detail door de omgevingsvergunning vastgelegd. Het college maakt een beoordeling op basis van de ruimtelijke hoofdstructuur.

Vergunninghoudster heeft kort gezegd, aangevoerd dat in 2004 nieuw beleid is gekomen waarbij de voorschriften met betrekking tot wat benzinestations wel of niet mochten verkopen onder invloed van marktwerking, deregulering en dergelijk zijn komen te vervallen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt het enkele feit dat er in het gebouw van vergunninghoudster zitgelegenheid is, en er drinken en iets te eten kan worden gekocht, nog niet dat sprake is van een wegrestaurant. Het college heeft zich terecht op het standpunt stelt dat alleen een kleinschalige shop met wachtruimte en sanitaire voorzieningen is aangevraagd, als aanvullende voorziening bij het laadstation. Een wegrestaurant is niet aangevraagd en ook niet vergund. Het beoogde gebruik is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk. Dat een wachtruimte met sanitaire voorzieningen in dit geval niet passend zou zijn, volgt de voorzieningenrechter niet. De wachtruimte ligt immers pal naast het laadstation van vergunninghoudster, waar de gebruikers van elektrische auto’s die hun auto’s moeten opladen moeten wachten totdat hun auto’s opgeladen zijn, of moeten wachten totdat zij aan de beurt zijn om hun auto op te laden. Dat de wachtende gebruikers in de shop iets te drinken en te eten kunnen kopen en dat naar keuze ofwel mee naar buiten nemen, ofwel meenemen voor onderweg, ofwel al wachtende ter plekke nuttigen, maakt niet dat sprake is van een wegrestaurant. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Nu sprake is van een shop met wachtruimte en niet van een wegrestaurant, slaagt alleen daarom al de beroepsgrond over de AERIUS-berekening evenmin.

De vraag of verzoekster naast een omgevingsvergunning mogelijk ook een exploitatievergunning op grond van de Horecaverordening nodig heeft, ligt in deze procedure niet voor. De eis van onlosmakelijke samenhang, zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is met de invoering van de Omgevingswet namelijk vervallen (dat was een principe onder de Wabo, waarbij activiteiten die met elkaar samenhangen gelijktijdig moesten worden aangevraagd. Dit betekende dat als een project meerdere vergunningplichtige activiteiten omvatte, de aanvrager ervoor moest zorgen dat de omgevingsvergunning betrekking had op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het project).

Onjuiste brutovloeroppervlakte (bvo) in ruimtelijke onderbouwing?

Verzoekster voert aan7 dat in de ruimtelijk onderbouwing die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, uitgegaan wordt van 138 m² bvo van de shop, terwijl in de Wbr-vergunning is uitgegaan van 120 m² bvo. Ook om die reden is geen sprake van zorgvuldige besluitvorming, aldus verzoekster.

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Op de oorspronkelijke tekening ‘Situatie nieuw dd 27 augustus 2025’ was een onjuiste totale oppervlakte van 136 m² vermeld. In de geactualiseerde tekening ‘328 [naam] RW A2 Fastned 250827 PERMIT - Situatietekening nieuw_rev D’ is deze fout hersteld en is de juiste totale oppervlakte van 138 m² opgenomen. Dit volgt uit de maatvoering op voormelde tekening (22.380 mm x 6.180 mm = 138 m²). Dit geactualiseerde document is leidend voor de maatvoering. Dat in de door Rijkswaterstaat verleende Wbr-vergunning een ander getal wordt genoemd, maakt voor deze omgevingsvergunning geen verschil, nu het college in de planologische beoordeling aansluit bij de stukken die de inrichting van het initiatief voor de omgevingsvergunning bepalen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat in de Wbr-vergunning een andere maatvoering staat dan in de omgevingsvergunning, het bestreden besluit over de omgevingsvergunning niet onzorgvuldig of onrechtmatig maakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

Verzoekster voert aan dat niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, wat in strijd komt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de stukken blijkt niet dat vergunninghoudster expliciet op grond van het overgangsrecht van de ‘Parkeernormennota voor auto en fiets gemeente Boxtel’8 (parkeernota 2026) heeft gekozen voor de parkeernota uit 2007 in plaats van de parkeernota 2026. Uitgaande van de parkeernota 2026 en uitgaande van een wegrestaurant in plaats van een shop, moesten 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in plaats van 8 parkeerplaatsen. Ter zitting heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat zij er feitelijk hinder van zal ondervinden als de parkeerdruk op verzorgingsplaats [naam] door de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning verder toeneemt, zodat haar het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen.

Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster op grond van het overgangsrecht in de parkeernota 2026 aanspraak kan maken op de parkeernota uit 2007, waarin geen gemeentelijke parkeernormen buiten de bebouwde kom zijn opgenomen. Dit betekent dat de aanvraag, die ziet op een shop buiten de bebouwde kom, niet behoeft te worden getoetst aan kwantitatieve parkeernormen. Conform de aanvraag van de omgevingsvergunning worden 8 parkeerplekken vergund, waarmee naar de mening van het college wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Vergunninghoudster stelt zich primair op het standpunt dat de beroepsgrond van verzoekster vanwege het relativiteitsvereiste in zijn geheel buiten beschouwing moet blijven. De parkeersituatie verandert haars inziens niet door de komst van haar shop, waarbij zij wijst op de overige twee parallelle wegen met parkeerplaatsen die er op de locatie zijn. Subsidiair stelt vergunninghoudster zich op het standpunt dat zij de keuze heeft gemaakt voor de oude parkeernota uit 2007, zodat er geen strikte parkeernorm voor het buitengebied is waar zij aan hoeft te voldoen. Daarbij merkt zij op dat zij wel voldoet aan de normen van het landelijke parkeerbeleid neergelegd in het beleidsdocument ‘Kader inrichting verzorgingsplaatsen van Rijkswaterstaat’, zoals door Rijkswaterstaat getoetst.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het relativiteitsvereiste op het punt van parkeren niet aan verzoekster kan worden tegengeworpen. Vergunninghoudster en verzoekster zijn beiden actief op verzorgingsplaats [naam] . Als er onvoldoende parkeermogelijkheid bij de shop van vergunninghoudster is, valt niet uit te sluiten dat haar bezoekers op zoek gaan naar andere parkeerplaatsen op verzorgingsplaats [naam] en dat verzoekster of haar klanten hier feitelijk hinder van ondervinden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het punt parkeren voldoende gemotiveerd en kon het college in redelijkheid tot de conclusie komen dat geen gemeentelijke parkeernormen buiten de bebouwde kom golden. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat vergunninghoudster om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft verzocht, waarbij het college (op grond van artikel 5.21, tweede lid, onder b Ow en artikel 8.0a, tweede lid, Bkl) een afweging dient te maken in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college mocht naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij die afweging de ‘Parkeernormennota voor auto en fiets Gemeente Boxtel’ (parkeernota 2026) betrekken, die in werking is getreden op 24 januari 2026. Nu verzoekster op 26 maart 2025 haar formele aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend is het overgangsrecht van artikel 1.4.3 van de parkeernota 2026 van toepassing, waarin staat dat de initiatiefnemer, vrij is te kiezen welke parkeernota, de oude of de nieuwe, van toepassing is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet vergunninghoudster worden geacht te hebben gekozen voor de oude parkeernota “Parkeernormen Gemeente Boxtel - Binnen de bebouwde kom 2007” (parkeernota 2007), aangezien vergunninghoudster er vanuit is gegaan dat er geen gemeentelijke parkeernormen buiten de bebouwde kom gelden. Ter zitting heeft de gemachtigde van vergunninghoudster bovendien expliciet aangegeven dat zij de keuze voor de parkeernota 2007 heeft gemaakt.

De beroepsgrond slaagt niet.

Verkeersveiligheid

Verzoekster voert aan dat met de komst van de shop van vergunninghoudster sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid, zodat niet wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (als vereist in artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het verkeerskundig memo van Rijkswaterstaat (Memo), waar het college zonder eigen onderzoek vanuit is gegaan, is niet meer actueel en onvolledig. In de Memo wordt niet ingegaan op de slechte zichtbaarheid van overstekende voetgangers. De slechte hoorbaarheid van elektrische voertuigen maakt de oversteeksituatie nog verkeersonveiliger. Ook ontbreken in de omgevingsvergunning concrete voorschriften om voetgangers te beschermen. Daarnaast moeten voertuigen ter plaatse achterwaarts uitparkeren terwijl zij geen zicht hebben op naderende voertuigen, en het zicht op de geparkeerde auto’s zelf slecht is door andere geparkeerde voertuigen en de overkapping van het laadstation. Het college heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend, zodat dit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden. Naar de mening van verzoekster kan het relativiteitsbeginsel haar niet worden tegengeworpen. Aangezien zij zich fysiek ook op verzorgingsplaats [naam] bevindt, stelt zij ook feitelijk hinder te zullen ondervinden als de verkeersveiligheid daar verslechtert.

Het college heeft in het bestreden besluit het volgende standpunt ingenomen. Aan het bestreden besluit kon het verkeerskundig onderzoek als neergelegd in de Memo van Rijkswaterstaat ten grondslag worden gelegd, nu Rijkswaterstaat als beheerder van de rijkswegen als deskundig kan worden aangemerkt en de Memo nog actueel is. Uit de ruimtelijke onderbouwing van vergunninghoudster volgt namelijk dat zowel de inrichting en verkeerssituatie op de verzorgingsplaats, als de risico-matrix van Rijkswaterstaat, ongewijzigd zijn gebleven sinds het uitbrengen van de Memo. Ter zitting heeft het college aangegeven van mening te zijn dat het relativiteitsbeginsel aan het bespreken van deze beroepsgrond in de weg staat.

Vergunninghoudster voert aan dat verzoekster zich gezien het relativiteitsvereiste niet kan beroepen op het algemene belang van verkeersveiligheid, zodat deze beroepsgrond van verzoekster gepasseerd moet worden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster zich gelet op het relativiteitsbeginsel niet met succes kan beroepen op schending van de verkeersveiligheid, nu deze norm kennelijk niet is bedoeld om haar belang te beschermen. Verzoeksters stelling dat zij zelf feitelijk hinder zal ondervinden als de verkeersveiligheid op verzorgingsplaats [naam] onder druk komt, is door haar niet nader onderbouwd. Gelet op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht zal de voorzieningenrechter deze beroepsgrond daarom passeren.

Artikel 3 BOPA-beleidsregel

Verzoekster voert aan dat het college in het bestreden besluit het criterium van artikel 3 van de Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA-beleidsregels) te beperkt uitlegt, en onvoldoende motiveert dat hieraan wordt voldaan. Op grond van deze bepaling mag de uitbreiding de bestaande rechten van omliggende bedrijven niet beperken. De feitelijke onderbouwing van het college van het aantal te verwachten bezoekers is niet objectief, want volledig afkomstig uit de ruimtelijke onderbouwing van vergunninghoudster. Inhoudelijk maakt de ruimtelijke onderbouwing niet duidelijk waarop de verhouding van de bezoekers (80% laders en 20% niet laders) wordt gebaseerd, zeker omdat vergunninghoudster ter plaatse een omvangrijke voorziening zal aanbieden en het gelet op haar (grote) investeringen en het aantal laders zeer aannemelijk is dat die verhouding in de praktijk anders zal uitvallen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Het college stelt zich op het standpunt dat zij niet inziet hoe de komst van de shop de rechten van verzoekster als exploitant van de nabijgelegen shop beperkt, nu het initiatief geen invloed heeft op haar bouw- en gebruiksmogelijkheden en geen beperkingen oplegt aan de bestaande exploitatie. Dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken van een verwachte verhouding van circa 80% laders en 20% niet-laders, betekent niet dat een substantiële verschuiving van bezoekersstromen te verwachten is. De shop van vergunninghoudster is qua omvang en zichtbaarheid ondergeschikt aan het laadstation en ruimtelijk minder prominent gepositioneerd dan de bestaande shop van verzoekster. Bezoekers van de verzorgingsplaats komen eerst langs het pompstation en de shop van verzoekster, waardoor het aannemelijk is dat een belangrijk deel van de niet-laders de bestaande shop zal blijven gebruiken. De bestaande shop beschikt volgens het college bovendien over een ander (uitgebreider) assortiment en heeft al enige naamsbekendheid op de verzorgingsplaats.

Vergunninghoudster voert aan dat verzoekster niet het recht heeft om als enige te exploiteren op de verzorgingsplaats, dat verzoekster erkent dat haar eigen bestaande rechten niet worden beperkt, en dat voormelde gronden van verzoekster vooral zien op de concurrentieverhoudingen. Daarbij wijst vergunninghoudster er op dat verzoekster in de beroepszaak dient te voldoen aan het relativiteitsbeginsel.

Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zijn standpunt dat de uitbreiding de bestaande rechten van omliggende bedrijven niet beperkt, niet alleen heeft gebaseerd op de ruimtelijke onderbouwing van vergunninghoudster zelf maar ook op het in rechtsoverweging 11.1 weergegeven standpunt. Daarmee heeft het college zijn standpunt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. Ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de bestaande rechten van verzoekster niet worden beperkt. De overige argumenten van verzoekster zien op haar concurrentiebelang. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging echter geen in aanmerking te nemen belang.

Oppervlakte gebouw

Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat in artikel 6 van de BOPA-beleidsregels staat dat voor overige gebouwen geldt dat de oppervlakte niet meer dan 50 m² mag zijn, en het gebouw van verzoekster groter is dan 50 m².

De gemachtigde van vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij niet op deze beroepsgrond kan reageren nu deze pas ter zitting van de voorzieningenrechter voor het eerst is aangevoerd.

De voorzieningenrechter laat deze eerst ter zitting aangevoerde grond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Nu deze beroepsgrond pas tijdens de zitting naar voren is gebracht, heeft vergunninghoudster onvoldoende tijd om een inhoudelijke reactie voor te bereiden. Verzoekster had deze beroepsgrond ook eerder kunnen inbrengen.

Looptijd van de vergunningen

Verzoekster voert tot slot aan dat het college in zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening houdt met het feit dat de Wbr-vergunning van vergunninghoudster op 7 mei 2029 verloopt en er op dit moment geen zekerheid bestaat over verlenging van de Wbr-vergunning. De looptijden van de huidige verleende vergunning en de Wbr-vergunning liggen te ver uit elkaar, aldus verzoekster.

De voorzieningenrechter overweegt dat de Wbr-vergunning en de omgevingsvergunning ieder hun eigen juridisch kader hebben en afzonderlijk van elkaar kunnen worden aangevraagd en verleend. Nu het vereiste van onlosmakelijke samenhang niet langer geldt onder de Ow, is niet vereist dat de duur van de vergunningen op elkaar is afgestemd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 27 maart 2026 ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep in de zaak SHE 26/1139 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Artikel delen