Onder de Omgevingswet geldt er geen onlosmakelijke samenhang meer. De aanvrager heeft o.g.v. art. 5.7 Ow de vrijheid zelf te bepalen wanneer hij wat aanvraagt. De uitspraak Rechtbank Rotterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3078 handelde over een omgevingsplanactiviteit voor het kappen van een boom. Hier wordt geen uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd t.a.v. een mogelijk noodzakelijke Flora- en fauna-activiteit.

De vzr. stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Vergunninghoudster heeft alleen voor deze omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, begrijpt de voorzieningenrechter het zo dat verzoekers menen dat voor het kappen van de populieren óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is omdat de essentiële vliegroute van de vleermuizen wordt aangetast en uit het ecologisch werkprotocol niet blijkt hoe deze vliegroute wordt gecompenseerd. Het systeem van de Ow is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Dit heeft tot gevolg dat voor de vzr. in deze procedure alleen de kapvergunning ter beoordeling voor ligt. Hiervoor is dus alleen het stelsel van weigeringsgronden uit art. 4:11b APV relevant en niet of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend.
Bij de BOPA is dit vanwege de ETFAL-toetsing die daar geldt anders en moet wel een uitvoerbaarheidstoets worden verricht, zo is door de Rechtbank Gelderland (24 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2322) nogmaals bevestigd. De vzr. stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de BOPA wordt aangevraagd. Het COA heeft de vergunning voor de flora- en fauna-activiteit inmiddels ook aangevraagd bij GS. In principe valt deze activiteit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning en eisers hun zorgen over de effecten van de komst van de opvanglocatie voor de flora en fauna aankaarten bij GS. Desondanks moet bij de beoordeling van ETFAL wel worden gemotiveerd waarom de activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maken (uitvoerbaarheidstoets). In dit geval is het aspect soortenbescherming beoordeeld aan de hand van een Quickscan en een aanvullend onderzoek. Geen redenen worden gezien dat de provincie de benodigde vergunning niet zou kunnen verlenen. In het kader van de uitvoerbaarheidstoets is een dergelijke beknopte beoordeling v.h. aspect soortenbescherming voldoende.