Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

52ste + 53e rechterlijke uitspraak BOPA! o.a. nieuwe handreiking Activiteiten en milieuzonering, spuitzones, actievere houding bevoegd gezag

Voor de liefhebbers van de BOPA-jurisprudentie is 2 oktober 2025, een interessante dag. Er zijn maar liefst 2 nieuwe BOPA-uitspraken gedaan.

2 October 2025

Samenvatting

Samenvatting

De rechtbank Overijssel heeft een BOPA-uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBOVE:2025:5801) inzake het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers. Interessant is dat in het kader van ETFAL ingegaan is op de spuitzoneproblematiek en het niet toetsen aan de nieuwe VNG-Handreiking Activiteiten en Milieuzonering. Het college verwijst ten aanzien van de spuitzone gewasbeschermingsmiddelen naar de goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving (goflo), behorende bij de verleende omgevingsvergunning. Gelet op wat door verzoekers is aangevoerd en nu er geen locatiespecifiek onderzoek is uitgevoerd, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de omgevingsvergunning op dit punt beter gemotiveerd moet worden. Gelet op alle wel beschikbare informatie zal het college naar verwachting de motivering in bezwaar voldoende kunnen aanvullen.

Verzoekers hebben ter zitting vraagtekens gezet bij motivering van het college dat er geen sprake is van overschrijding van de geluidsnormen van de gevestigde bedrijven op het perceel van de opvanglocatie. Kort samengevat stellen verzoekers dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op een (te) oud onderzoek gericht op generieke zonering van bedrijventerreinen, dat het college de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet bij de beoordeling heeft betrokken en de richtafstanden voor de specifieke geluidsbronnen niet in acht heeft genomen. D Oe voorzieningenrechter verwacht niet dat de door verzoekers aangevoerde punten zullen leiden tot de conclusie dat het besluit onrechtmatig is, maar het is aan het college (en mogelijk het COA) om in de bezwaarfase nader te reageren op de door verzoekers aangevoerde punten. Zij kunnen ervoor kiezen om in dat kader nader onderzoek te laten verrichten.

De rechtbank Zeeland West-Brabant heeft op 2 oktober 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3256) een uitspraak gedaan over een in bezwaar alsnog geweigerde BOPA. Hierbij speelde een rol dat er volgens vaste jurisprudentie een actievere houding van het bevoegd gezag wordt verwacht i.v.m. de beoordeling van ETFAL. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verwacht daarbij ook een actievere beoordeling van het bevoegde gezag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2024, welke is bevestigd in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland 5 van april 2025. Daarin is bepaald dat het college actiever moet zijn bij de beoordeling voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat geldt niet alleen voor de fase van de vergunningverlening maar doet zich ook voor in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter leest in het verweerschrift dat volgens het college nu geen sprake is van ETFAL. De beslissing of sprake is van ETFAL is aan het bestuursorgaan. De bestuursrechter beoordeelt zelf niet of voldaan is aan ETFAL, maar toetst volgens standaard rechtspraak of de beslissing van het bestuursorgaan in overeenstemming is met het recht en of er een navolgbare motivering aan ten grondslag ligt. Op dit moment is niet gebleken van ETFAL. De voorzieningenrechter gaat hiervan uit en dat betekent dat hij niet kan verwachten dat verzoekster over een toestemming zal beschikken.

BOPA-UITSPRAAK RECHTBANK OVERIJSSEL

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door het college verleende omgevingsvergunning van 15 juli 2025 voor het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie aan de [locatie]. Het COA heeft op 9 april 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie aan de [locatie] (op de percelen kadastraal bekend [locatie] (gedeeltelijk), naast [adres 3] en tegenover [adres 4]. De aanvraag ziet op de activiteiten ‘bouwen’ en het ‘buitenplans afwijken van regels van het tijdelijke deel van omgevingsplan’ (BOPA) als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet.

De tijdelijke opvanglocatie is bedoeld voor de huisvesting van 190 personen in zes woonunits van twee bouwlagen. Verder worden op het terrein een onderwijsgebouw en een kantoorgebouw geplaatst en ook speelvoorzieningen, lantaarnpalen en picknicktafels. Om voorzieningen voor de bewoners van de opvang bereikbaar te maken wordt een brug over een sloot gerealiseerd ten behoeve van de aanleg van een voet-/fietspad richting de Vossersteeg/Polhaarweg. Verder wordt riolering aangelegd. De opvang is beoogd voor een periode van maximaal 10 jaar.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van het COA en het college om de opvanglocatie in gebruik te kunnen nemen zwaarder wegen dan de belangen van verzoekers om ingebruikname te voorkomen. COA en het college hebben overtuigend onderbouwd dat er een groot belang bestaat bij het volgens de planning laten doorgaan van de bewoning van de locatie en dat daarmee niet moet worden gewacht totdat op de bezwaren van verzoekers is beslist. Aan de zijde van verzoekers zijn er geen grote belangen die een toewijzing van een voorlopige voorziening tot er op het bezwaar is beslist rechtvaardigen. Daarbij is relevant dat verzoekers gedurende de bezwaarfase niet in hun bedrijfsmogelijkheden worden beperkt en ook dat het deels gaat om een toekomstig en onzeker gebruik van het perceel dat direct grenst aan het perceel van de locatie. Daarbij is van belang dat strikt genomen geen sprake is van een besluit met onomkeerbare gevolgen.

Wat door verzoekers in bezwaar en ter zitting is aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat de op 15 juli 2025 verleende omgevingsvergunning (evident) onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Hiertoe overweegt hij als volgt.

Verzoekers voeren in bezwaar een viertal gronden aan. Ter zitting hebben verzoekers de gronden op punten aangevuld. Allereerst voeren zij aan dat het college bij de toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning uit is gegaan van het verkeerde bestemmingsplan (Chw bestemmingsplan Buitengebied 9e verzamelplan Buitengebied Dalfsen), omdat de omgevingsvergunning op 15 juli 2025 is verleend en dit plan pas op 31 juli 2025 in werking is getreden. Ten tweede stellen verzoekers zich op het standpunt dat er bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte geen locatiespecifiek onderzoek is uitgevoerd omdat het opvangcentrum binnen de minimale afstand van 50 meter is gelegen die tussen een agrarisch perceel en gevoelige functies wordt gehanteerd in verband met de zogenaamde ‘spuitzone’ voor gewasbeschermingsmiddelen. Ten derde voeren verzoekers aan dat [verzoeker 2] B.V. en [bedrijf] (houtbewerkingsbedrijf) in hun bedrijfseconomische belangen worden geraakt omdat er sprake zal zijn van een overschrijding van de geluidsnormen. Het college heeft dit aspect (geluid) onvoldoende gemotiveerd in de onderbouwing van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Tot slot stellen verzoekers zich op het standpunt dat de ETFAL onvoldoende is onderbouwd omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de ‘Visie en aanpak structurele opvang asielzoekers’.

Het college heeft erkend dat aan het verkeerde bestemmingsplan is getoetst. Onbetwist is echter dat toetsing aan het correcte bestemmingsplan (Chw bestemmingsplan Buitengebied 8e verzamelplan Buitengebied Dalfsen) niet zou hebben geleid tot een andersluidende conclusie, omdat de relevante bepalingen voor het plangebied nagenoeg gelijk zijn. Dit is bovendien in de bezwaarfase te herstellen.

Het college verwijst ten aanzien van de spuitzone gewasbeschermingsmiddelen naar de goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving (goflo), behorende bij de verleende omgevingsvergunning. Gelet op wat door verzoekers is aangevoerd en nu er geen locatiespecifiek onderzoek is uitgevoerd, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de omgevingsvergunning op dit punt beter gemotiveerd moet worden. Gelet op alle wel beschikbare informatie zal het college naar verwachting de motivering in bezwaar voldoende kunnen aanvullen.

Wat betreft de derde bezwaargrond (geluid) verwijst het college naar het uitgevoerde akoestische onderzoek en de goflo. Verzoekers hebben ter zitting vraagtekens gezet bij motivering van het college dat er geen sprake is van overschrijding van de geluidsnormen van de gevestigde bedrijven op het perceel van de opvanglocatie. Kort samengevat stellen verzoekers dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op een (te) oud onderzoek gericht op generieke zonering van bedrijventerreinen, dat het college de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet bij de beoordeling heeft betrokken en de richtafstanden voor de specifieke geluidsbronnen niet in acht heeft genomen. De voorzieningenrechter verwacht niet dat de door verzoekers aangevoerde punten zullen leiden tot de conclusie dat het besluit onrechtmatig is, maar het is aan het college (en mogelijk het COA) om in de bezwaarfase nader te reageren op de door verzoekers aangevoerde punten. Zij kunnen ervoor kiezen om in dat kader nader onderzoek te laten verrichten.

Ten aanzien van de vierde bezwaargrond is niet gebleken dat de onderbouwing van de ETFAL tekortschiet omdat het plan strijdig zou zijn met de Visie en aanpak structurele opvang asielzoekers. Het voet-/fietspad is inmiddels gereed en voor zover verzoekers betogen dat andere locaties beter geschikt zijn, kan dit niet afdoen aan de onderbouwing van het college dat er bij een opvanglocatie aan de [locatie] sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

BOPA-UITSPRAAK RECHTBANK ZEELAND WEST-BRABANT

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van 22 april 2025. In dit besluit heeft het college de aan verzoeker verleende omgevingsvergunning voor het starten van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, namelijk een boerderijwinkel en het houden van workshops en proeverijen, van 22 augustus 2024 herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter constateert dat in de beslissing op bezwaar gebreken zitten. Van het college mocht een actievere houding verwacht worden ten aanzien van de gebreken in het primaire besluit. De constatering van de bezwaarschriftencommissie had moeten leiden tot een houding van het college om die gebreken te herstellen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verwacht daarbij ook een actievere beoordeling van het bevoegde gezag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2024, welke is bevestigd in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland 5 van april 2025 (Rb. Oost Brabant 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5114 en Rb. Noord-Nederland 5 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1419). Daarin is bepaald dat het college actiever moet zijn bij de beoordeling voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat geldt niet alleen voor de fase van de vergunningverlening maar doet zich ook voor in de bezwaarfase.

In dat opzicht overweegt de voorzieningenrechter dat nog wat af te dingen valt op de beslissing op bezwaar. Echter leest de voorzieningenrecht in het verweerschrift dat volgens het college nu geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De beslissing of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan het bestuursorgaan. De bestuursrechter beoordeelt zelf niet of voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar toetst volgens standaard rechtspraak of de beslissing van het bestuursorgaan in overeenstemming is met het recht en of er een navolgbare motivering aan ten grondslag ligt.

Op dit moment is niet gebleken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter gaat hiervan uit en dat betekent dat hij niet kan verwachten dat verzoekster over een toestemming zal beschikken.

Daarbij komt met betrekking tot de belangenafweging dat verzoekster alleen financiële schade heeft gesteld. Dat kan op zichzelf niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening. Mocht het besluit namelijk onrechtmatig blijken, dan kan verzoekster een schadevergoeding vragen.

Artikel delen