Op 26 januari 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2026:215) de inmiddels 5e uitspraak gedaan over de juridische status van de bouwstop onder de Omgevingswet. Anders dan onder de Wabo het geval was (in art. 5.17) is onder de Omgevingswet geen specifieke wettelijke grondslag meer opgenomen voor de bouwstop.

De betogen van verzoekers dat het college geen “bouwstop” meer kon opleggen, omdat die mogelijkheid uit de wet is verdwenen, en dat geen aanleiding bestond voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang, treft geen doel. Bouwen zonder een vereiste omgevings(bouw)vergunning is een overtreding die handhaving rechtvaardigt. Dat die handhavingsfiguur niet meer afzonderlijk in de wet is geregeld, betekent niet dat met toepassing van Titel 5.1 Awb niet hetzelfde kan worden bereikt, waarbij het college zelfs de keuze heeft tussen daadwerkelijke stillegging door bestuursdwang toe te passen dan wel een last tot staken te geven op straffe van een dwangsom. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat in geval een activiteit wordt uitgevoerd zonder een daarvoor vereiste vergunning, het onmiddellijk staken van die activiteit in de regel geboden zal zijn, juist om te onderzoeken of aan de vergunningsplicht alsnog kan worden voldaan. De gestelde overtreding vloeit in dit geval voort uit het bouwen zonder omgevingsvergunningen terwijl die vergunningen – aldus het college - volgens het omgevingsplan of het Bbl zijn vereist. In dat geval ligt het opleggen van een “bouwstop” al snel in de rede.
Anders dan verzoekers aanvoeren is de bouwstop in dit geval opgelegd in de vorm van een last onder dwangsom, die eerst mondeling is aangekondigd en vervolgens schriftelijk aan verzoekers is medegedeeld. Het feit dat de toezichthouder voorafgaand aan dit schriftelijke besluit een voicemail heeft achtergelaten, maakt niet dat het college daarmee toen (spoedeisende) bestuursdwang heeft toepast zoals bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, Awb. Anders dan verzoekers betogen, is dus ook geen sprake van een dubbele herstelsanctie wegens dezelfde overtreding zoals bedoeld in artikel 5:6 Awb.
VOLLEDIGE RECHTSOVERWEGINGEN INZAKE DE BOUWSTOP:
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de oplegging van een “bouwstop” wegens vermeend (ver)bouwen zonder vereiste vergunning(en). Verzoekers zijn het niet eens met het besluit waarbij hen gelast is bouwwerkzaamheden nagenoeg onmiddellijk te staken.
MRM is sedert omstreeks juli 2025 eigenaar van het pand/de panden aan (onder meer) de Zaanweg 93-94 (het pand) in Wormerveer. Dat pand, althans een deel daarvan – de directeurswoning Huis te Zaanen – is in 2003 door het college aangewezen als gemeentelijk monument. Ter zitting is gebleken dat de monumentale onderdelen zowel de gevel als monumentale details in het pand betreffen. Het pand was voorheen deels in gebruik als restaurant en werd (laatstelijk) – voor de verwerving door MRM – (deels) gebruikt voor verblijf door migrerende arbeiders. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan Wormerveer, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan Zaanstad, is aan het perceel waarop het pand staat, naast de bestemming Centrum1, de functieaanduiding “cultuurhistorische waarden” verbonden. In 2020 is aan een rechtsvoorganger van MRM een omgevingsvergunning verleend voor (ver)bouwen in het pand waarbij ook een omgevingsvergunning is verleend voor wijzigen van het gemeentelijk monument. Omstreeks september/oktober 2025 zijn verzoekers begonnen met bouwwerkzaamheden in het pand. De indeling van het pand wordt gewijzigd (merendeels) in die zin dat bestaande ruimten worden opgedeeld in meerdere kamers en er keuken, bad- en toiletvoorzieningen worden aangebracht. Verzoekers zijn voornemens het pand te doen gebruiken voor bewoning door minderjarigen aan wie begeleide opvang en verzorging zal worden verleend.
Verzoekers hebben in oktober 2025 (telefonisch) contact gehad met de afdeling die bouwzaken behandelt in de gemeente. Dat heeft niet geleid tot de constatering dat een of meer vergunningen vereist waren voor de verbouwing. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat verzoekers voor de aanvang van de werkzaamheden geen melding van bouwen op grond van de omgevingsvergunning uit 2020 hebben gedaan.
Op 19 november 20252 heeft een toezichthouder het pand bezocht en daarvan rapport opgemaakt.
Op 21 november 2025 in de vroege ochtend heeft een toezichthouder telefonisch – door het inspreken van een voicemail aan MRM - meegedeeld een “bouwstop” op te leggen, die in zou gaan op die dag om 11.00 uur.
Met het bestreden besluit van 21 november 2025 heeft het college meegedeeld na de mondelinge aanzegging een last onder dwangsom aan MRM op te leggen. De “bouwstop” ziet op de werkzaamheden aan het pand in Wormerveer. Het college gelast MRM om de werkzaamheden aan het pand vanaf 21 november 2025 om 11:00 uur te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- ineens. Ter onderbouwing voert het college aan dat MRM volgens het college zonder vereiste omgevingsvergunningen zowel een omgevingsplanactiviteit – naar de voorzieningenrechter begrijpt voor een bouwactiviteit/bouwwerk – als een bouwactiviteit verricht. Dat is volgens het college een overtreding van de artikelen 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow).
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekers stellen dat onder de Ow een wettelijke bevoegdheid voor het opleggen van een bouwstop ontbreekt. Artikel 5.17 Wabo voorzag in de bevoegdheid voor het college om de bouw van een bouwwerk te laten staken, in afwachting van mogelijk te treffen maatregelen. Gelet op de aard en het doel van deze bevoegdheid, behoefde niet te worden onderzocht of de bouw gelegaliseerd kon worden. Deze bevoegdheid is echter niet meer opgenomen in de Ow en bestaat dus niet meer. Voor zover de bouwstop moet worden gezien als een last onder bestuursdwang, dan gaat het om spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het besluit volgt dat de bouwstop – in de vorm van bestuursdwang - telefonisch, dus mondeling, is opgelegd. Volgens verzoekers is daarom ook gehandeld in strijd met artikel 5:6 Awb, nu voor de vermeende overtreding zowel een last onder bestuursdwang (de bouwstop) als een last onder dwangsom is opgelegd. Volgens verzoekers was voorts geen sprake van zodanige spoedeisende redenen dat bestuursdwang kon worden toegepast zonder eerst een besluit op schrift te stellen. Benadrukt wordt dat het gaat om inpandige werkzaamheden die niet leiden tot een aantasting van de onderdelen van het pand met culturele waarde. Er was ook geen reden om bij de handhaving af te zien van een begunstigingstermijn. Bovendien is bij de mondelinge mededeling van de bouwstop alsnog een zeer korte begunstigingstermijn gegeven, maar dat is, aldus verzoekers, onverenigbaar met het karakter van een last als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, Awb. Volgens verzoekers is ook gehandeld in strijd met artikel 4:8 Awb. Het college heeft niet voor het besluit tot handhaving beoordeeld of de vermeende overtreding gelegaliseerd kan worden, terwijl dit alleszins aannemelijk is, gelet op de eerder afgegeven vergunning uit 2020. Het college is dus veel te snel tot handhaving overgegaan. Dit had voorkomen kunnen worden door verzoekers eerst om een zienswijze te vragen, maar ook dat is ten onrechte niet gebeurd.
De betogen van verzoekers dat het college geen “bouwstop” meer kon opleggen, omdat die mogelijkheid uit de wet is verdwenen, en dat geen aanleiding bestond voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang, treft geen doel. Bouwen zonder een vereiste omgevings(bouw)vergunning is een overtreding die handhaving rechtvaardigt. Dat die handhavingsfiguur niet meer afzonderlijk in de wet is geregeld, betekent niet dat met toepassing van Titel 5.1 Awb niet hetzelfde kan worden bereikt, waarbij het college zelfs de keuze heeft tussen daadwerkelijke stillegging door bestuursdwang toe te passen dan wel een last tot staken te geven op straffe van een dwangsom. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat in geval een activiteit wordt uitgevoerd zonder een daarvoor vereiste vergunning, het onmiddellijk staken van die activiteit in de regel geboden zal zijn, juist om te onderzoeken of aan de vergunningsplicht alsnog kan worden voldaan. De gestelde overtreding vloeit in dit geval voort uit het bouwen zonder omgevingsvergunningen terwijl die vergunningen – aldus het college - volgens het omgevingsplan of het Bbl zijn vereist. In dat geval ligt het opleggen van een “bouwstop” al snel in de rede.
Anders dan verzoekers aanvoeren is de bouwstop in dit geval opgelegd in de vorm van een last onder dwangsom, die eerst mondeling is aangekondigd en vervolgens schriftelijk aan verzoekers is medegedeeld. Het feit dat de toezichthouder voorafgaand aan dit schriftelijke besluit een voicemail heeft achtergelaten, maakt niet dat het college daarmee toen (spoedeisende) bestuursdwang heeft toepast zoals bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, Awb. Anders dan verzoekers betogen, is dus ook geen sprake van een dubbele herstelsanctie wegens dezelfde overtreding zoals bedoeld in artikel 5:6 Awb. Daarnaast worden verzoekers, gelet op het bepaalde in artikel 4:11 Awb, niet gevolgd in hun standpunt dat het college artikel 4:8 Awb heeft geschonden. Hoewel eerst praten – maar dan zonder verder bouwen – wellicht een redelijk alternatief had kunnen zijn, heeft het college er terecht op gewezen dat aanleiding bestond om spoedeisend op te treden en daarom geen gelegenheid te geven een zienswijze in te dienen voor het nemen van het besluit, nu het hier gaat om werkzaamheden aan een pand, dat bovendien een monument is, waarvan niet op voorhand evident is – bij de (gestelde) constatering dat zonder vergunning wordt gebouwd - dat die wijzigingen zomaar ongedaan kunnen worden gemaakt. In zo’n situatie is het, anders dan verzoekers onder verwijzing artikel 5:32a Awb betogen, ook aanvaardbaar dat werd afgezien van het geven van een begunstigingstermijn, nu niet aannemelijk is dat stoppen met bouwen meer tijd vergde. Dat blijkt ook wel omdat direct stoppen hier niet geleid heeft tot relevante problemen, omdat de dwangsom niet is verbeurd.