Op 27 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:793 heeft de Rechtbank Limburg de inmiddels 6e uitspraak gedaan over de bouwstop onder de Omgevingswet. Het college heeft o.g.v. art. 5:31 Awb ervoor gekozen om niet eerst een last onder bestuursdwang aan verzoekster op te leggen, maar direct een bouwstop. Voor het opleggen van een mondelinge bouwstop is o.g.v. art. 5:31, lid 2 Awb vereist dat de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht.

In het besluit is niet vermeld waarom de situatie zo spoedeisend was dat een bouwstop nodig was. Ter zitting is dit door het college alsnog toegelicht. In lijn met Rb. Limburg, 5 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:9005 is de vzr. van oordeel dat het college op dat moment bevoegd was om een bouwstop op te leggen gelet op het ontbreken van een bouwvergunning voor de bouwwerkzaamheden, de omvang daarvan en de onbekende gevolgen voor de veiligheid gelet op het ontbreken van een of meerdere benodigde vergunningaanvragen. Voor zover in het bestreden besluit de spoedeisendheid van handhavend optreden onvoldoende is weergegeven, kan dit in de nog te nemen beslissing op bezwaar nader worden toegelicht.
Naast het voorgaande heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende duidelijkheid biedt welke werkzaamheden niet mogen worden uitgevoerd. Zij wenst namelijk enkele vergunningvrije werkzaamheden uit te voeren waarvan haar niet duidelijk is of deze vallen binnen het bereik van het bestreden besluit en de mondeling opgelegde bouwstop.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat het op beide momenten, zowel ten tijde van de mondelinge bouwstop als op het moment van het nemen van het bestreden besluit, onduidelijk was welke werkzaamheden uitgevoerd werden. Zoals hiervoor overwogen was namelijk geen sprake van vergunningaanvragen met onderliggende bouwtekeningen of bouwplannen. Het college heeft daarom in het donker getast ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden en heeft niet anders kunnen handelen dan door alle werkzaamheden te verbieden. Dat het college al direct bij de bouwstop onderscheid had moeten maken tussen vergunningplichtige en vergunningvrije werkzaamheden volgt de vzr. niet. De werkzaamheden zijn blijkens de foto’s in de controlerapporten namelijk dermate omvangrijk en ingrijpend dat het voor de toezichthouder niet mogelijk was om zelf in te schatten welke werkzaamheden nog zouden worden uitgevoerd. Pas op het moment dat verzoekster op verzoek van het college stukken heeft ingediend op basis waarvan het college de aard van de uit te voeren bouwwerkzaamheden kon beoordelen, heeft het college aan verzoekster aangegeven welke vergunningvrije werkzaamheden zij mocht uitvoeren, ondanks de opgelegde bouwstop met bijbehorende last onder dwangsom.
RECHTSOVERWEGINGEN
Verzoekster is eigenaar van het perceel aan de [adres] te Sint Odiliënberg. Op 17 november 2025 is een gemeentelijke toezichthouder ter plaatse geweest. Op dat moment vonden bouwwerkzaamheden op het perceel plaats. Verzoekster heeft daarvoor geen omgevingsvergunning. De toezichthouder heeft daarom ter plaatse een bouwstop opgelegd. Verzoekster was zelf niet aanwezig tijdens de controle. Daarom heeft de toezichthouder haar op 18 november 2025 een e-mailbericht gestuurd waarin is aangegeven dat aan haar een bouwstop is opgelegd.
Op 25 november 2025 is nogmaals een controle uitgevoerd door een toezichthouder. De toezichthouder constateerde dat ondanks de opgelegde bouwstop toch bouwwerkzaamheden plaatsvonden.
Het college heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 zijn beslissing tot het opleggen van een bouwstop op schrift gesteld en aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij de bouwwerkzaamheden niet mag hervatten. Doet verzoekster dit toch, zonder dat de benodigde omgevingsvergunning is verleend, dan verbeurt zij een dwangsom van € 30.000,- ineens. Het college heeft daarbij de volgende gedragingen geconstateerd:
-het slopen van een bestaand bouwwerk zonder sloopmelding;
-het plaatsen van een stalen constructie met een hoogte van ongeveer zes meter;
-binnen het hoofdgebouw verwijderen van dragende muren en/of balken en het uitvoeren van andere interne verbouwingen zonder de vereiste vergunning.
Volgens het college zijn deze gedragingen in strijd met artikelen 5.1, eerste lid, onder a, en 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet. Daarnaast is het slopen zonder sloopmelding volgens het college in strijd met artikel 7.10, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Het college heeft op grond van artikel 5:31 Awb ervoor gekozen om niet eerst een last onder bestuursdwang aan verzoekster op te leggen, maar direct een bouwstop.
Voor het opleggen van een mondelinge bouwstop is op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb vereist dat de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht.
Zoals verzoekster terecht heeft aangestipt, is in het bestreden besluit niet vermeld waarom de situatie zo spoedeisend was dat het college een bouwstop nodig achtte. Ter zitting heeft het college alsnog toegelicht waarom van spoedeisendheid sprake was. In het rapport over de controle op 17 november 2025 heeft de toezichthouder vermeld dat hij onder andere constateerde dat de vloer op de verdieping geheel vervangen was, een deel van deze vloer (boven de ingang) verwijderd was, stalen balken waren geplaatst op de dragende binnen- en buitenmuren en daartussen houten balken waren aangebracht, meerdere nieuwe binnenmuren waren aangebracht, meermaals containers met puin op het perceel aanwezig waren en een gebouw volledig verwijderd was, waarvoor een staalconstructie van zes meter hoog in de plaats was gekomen. Toen de toezichthouder op de hoogte raakte van de overtredingen was het voor het college, vanwege het ontbreken van een vergunningaanvraag, volstrekt onduidelijk welke werkzaamheden er werden uitgevoerd. Wel was duidelijk dat er veel werkzaamheden plaatsvonden, dat er veel werd gesloopt, dat er constructieve werkzaamheden werden verricht en dat er een geheel nieuwe stalen constructie werd gerealiseerd. De toezichthouder heeft ter plekke geconstateerd dat sprake was van illegale bouwactiviteiten van grote omvang en heeft vanwege de mogelijke gevaren voor de openbare veiligheid en het voorkomen van nog verdergaande overtredingen meteen een bouwstop opgelegd.
In lijn met een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (Rb. Limburg van 5 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:9005) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college op dat moment bevoegd was om een bouwstop op te leggen gelet op het ontbreken van een bouwvergunning voor de bouwwerkzaamheden, de omvang daarvan en de onbekende gevolgen voor de veiligheid gelet op het ontbreken van een of meerdere benodigde vergunningaanvragen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om vanwege de manier waarop de bouwstop aan verzoekster is opgelegd het bestreden besluit te schorsen. Voor zover in het bestreden besluit de spoedeisendheid van handhavend optreden onvoldoende is weergegeven, overweegt de voorzieningenrechter dat in de nog te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekster hierop nader kan worden ingegaan, mede in het kader van de afweging of de bouwstop en de last onder dwangsom gehandhaafd blijven.
Naast het voorgaande heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende duidelijkheid biedt welke werkzaamheden niet mogen worden uitgevoerd. Zij wenst namelijk enkele vergunningvrije werkzaamheden uit te voeren waarvan haar niet duidelijk is of deze vallen binnen het bereik van het bestreden besluit en de mondeling opgelegde bouwstop. Volgens verzoekster is het bestreden besluit en de mondeling opgelegde bouwstop daarom niet voldoende duidelijk en te verstrekkend.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat het op beide momenten, zowel ten tijde van de mondelinge bouwstop als op het moment van het nemen van het bestreden besluit, onduidelijk was welke werkzaamheden uitgevoerd werden. Zoals hiervoor overwogen was namelijk geen sprake van vergunningaanvragen met onderliggende bouwtekeningen of bouwplannen. Het college heeft daarom in het donker getast ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden en heeft niet anders kunnen handelen dan door alle werkzaamheden te verbieden. Dat het college al direct bij de bouwstop onderscheid had moeten maken tussen vergunningplichtige en vergunningvrije werkzaamheden volgt de rechtbank niet. De werkzaamheden zijn blijkens de foto’s in de controlerapporten namelijk dermate omvangrijk en ingrijpend dat het voor de toezichthouder niet mogelijk was om zelf in te schatten welke werkzaamheden nog zouden worden uitgevoerd. Pas op het moment dat verzoekster op verzoek van het college stukken heeft ingediend op basis waarvan het college de aard van de uit te voeren bouwwerkzaamheden kon beoordelen, heeft het college aan verzoekster aangegeven welke vergunningvrije werkzaamheden zij mocht uitvoeren, ondanks de opgelegde bouwstop met bijbehorende last onder dwangsom.
Gelet op voornoemde toelichting van het college ter zitting ziet de voorzieningenrechter in het voorgaande geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, ook in de vorm van de opgelegde mondelinge bouwstop, en dat bij de huidige stand van de procedure geen reden bestaat voor het oordeel dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af.