Op 5 januari 2026 is de inmiddels 80ste BOPA-uitspraak gepubliceerd van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:6679). De rechtbank volgt eiser allereerst niet in het betoog dat het college niet op het advies van de CRMK had mogen afgaan. Vooropgesteld zij dat het college niet aan het advies van de CRMK is gebonden. De verantwoordelijkheid voor de toets of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, berust bij het college.

Volgens vaste rechtspraak mag het college echter wel op het advies van de CRMK afgaan, nadat het college is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van het advies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is alleen anders als eiser daar een rapport van een andere deskundig te achten persoon of instantie tegenover heeft gezet, of concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid en de begrijpelijkheid van het advies en de daarin getrokken conclusies.
De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de CRMK volgen en stelt vast dat die in lijn zijn met het welstandsbeleid. Wat eiser daar tegenover heeft gezet doet de rechtbank niet twijfelen aan zorgvuldigheid en de begrijpelijkheid van het advies. Dat eiser professioneel advies heeft ingewonnen en zijn carport zelf wel passend vindt, legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het deskundig advies van de CRMK. De rechtbank ziet ook niet dat het welstandsbeleid inconsistent en eenzijdig zou zijn. Het is niet vereist om in het welstandsbeleid dezelfde objectcriteria te hanteren voor zonnepanelen, uitbouwen en erfafscheidingen, als voor bijgebouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat het college in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn belangen. Het college heeft voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Daarin worden de belangen van eiser wel genoemd, maar niet afgewogen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook gebrekkig gemotiveerd.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het college alsnog toegelicht waarom de belangen van eiser niet zouden moeten opwegen tegen de met de welstand strijdige carport. Allereerst is een carport in deze vorm en op deze plek op het perceel, volgens haar niet noodzakelijk voor het voorkomen van schade door vogelpoep. Daar zijn ook andere oplossingen voor zoals een beschermende coating of een autohoes. Bovendien staat de boom voor eisers woning er inmiddels niet meer (die is omgewaaid). Ook ter voorkoming van auto-inbraak zijn mogelijkheden voorhanden die minder van invloed zijn op het straatbeeld, zoals een alarminstallatie, camera’s en verlichting. Het nieuwe parkeerbeleid kan volgens de gemachtigde van het college tenslotte evenmin betekenen dat het college een carport zou moeten toestaan in strijd met de welstandseisen. De rechtbank stelt vast dat het college de belangen van eiser hiermee alsnog heeft afgewogen tegenover het algemeen belang bij het handhaven van de welstandseisen. De rechtbank kan de afweging van het college ook inhoudelijk volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het eiser wel is toegestaan om een carport op eigen terrein te realiseren in het achtererfgebied, maar dan wel in overeenstemming met het welstandsbeleid. Eiser heeft geen belangen genoemd die maken dat in zijn geval een carport in strijd met het welstandsbeleid zou moeten worden toegestaan.
Eiser woont aan de [adres 1] in [plaats] . Op 6 maart 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat eiser een carport heeft geplaatst op zijn perceel zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Ter legalisatie heeft eiser op 15 april 2024 een omgevingsvergunning bij het college aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit. Met het besluit van 16 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het college die aanvraag afgewezen.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel van eiser geldt het ‘Omgevingsplan gemeente [plaats] ’. Dit omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat): artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow, wordt een omgevingsplanactiviteit als volgt gedefinieerd:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit).
Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Bosdrift’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het perceel onder meer de bestemming ‘Tuin’. Gronden met die bestemming zijn mede bestemd voor parkeervoorzieningen. Er mogen bouwwerken worden geplaatst ten dienste van de bestemming, maar met dien verstande dat waar het gaat om ‘bouwwerken, geen gebouw zijnde’ de bouwhoogte niet meer dan 1 meter mag bedragen. Eisers carport is zo’n bouwwerk en is geplaatst binnen de bestemming ‘Tuin’, maar is hoger dan 1 meter, namelijk 2,5 meter. De carport is qua hoogte dus in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan biedt het college wel een mogelijkheid om af te wijken van de maximum bouwhoogte, maar slechts tot 10% en met een maximum van 2 meter. Deze afwijkingsmogelijkheid is voor eisers carport dus niet toereikend.
Omdat binnenplans afwijken dus niet mogelijk is, heeft het college de aanvraag van eiser aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (onder c). Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
In het licht hiervan heeft het college de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten van de gemeente [plaats] ( [adviesraad] ) gevraagd om advies. De [adviesraad] heeft op 20 maart 2024 een negatief advies uitgebracht over de carport van eiser. Gelet op het negatieve advies van de CRMK is er volgens het college geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zodat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd. Het college heeft het advies van de [adviesraad] aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.
Het beroep
Eiser voert aan dat het college het advies van de [adviesraad] in redelijkheid niet heeft mogen volgen. Het advies is (te) summier, nu de [adviesraad] enkel volstaat met de conclusie dat de carport het straatbeeld zou aantasten zonder concrete toetsingscriteria te benoemen. Het advies is ook onjuist. Eiser heeft vooraf professioneel advies ingewonnen over het ontwerp van zijn carport die (vergeleken met auto’s in de buurt die worden afgedekt met losse doeken en zeilen) juist voor een net en ordelijk straatbeeld zorgt. In de wijk zijn bovendien meer elementen toegestaan die niet aansluiten bij de stijl van de jarendertigwoningen (zonnepanelen, uitbouwen, erfafscheidingen). Het beleid is op dit punt inconsistent en eenzijdig, aldus eiser.
Eiser vindt verder dat het college onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn belangen. De carport is noodzakelijk ter voorkoming van inbraak en ter voorkoming van schade aan eisers auto door vogelpoep. Bovendien is eiser genoodzaakt om op eigen terrein te parkeren vanwege het nieuwe parkeerbeleid in [plaats] dat zich kenmerkt door betaald en vergund parkeren. Deze nadelige gevolgen wegen niet op tegen het te beschermen straatbeeld, zeker niet nu er al diverse afwijkende bouwwerken in de wijk aanwezig zijn. Daar komt bij dat er door buurtbewoners geen enkel bezwaar is geuit tegen de carport. Uit jurisprudentie volgt dat een besluit hoe dan ook niet onevenredig mag uitpakken en dat gebeurt hier nu wel, aldus eiser.
Tot slot beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft foto’s overgelegd van andere carports binnen een straal van 200 meter van zijn woning die volgens hem vergelijkbaar zijn met zijn carport en wél worden toegestaan. Het betreft de carport aan de [adres 2] (foto 2), de carport aan de [adres 3] (foto 4) en de carport aan [adres 4] (foto 5), de carport behorende bij het ‘witte huis’, wat op de zitting de [adres 5] bleek te zijn, en een carport op een onbekend adres (foto 3). Voor zover deze carports niet zijn vergund, maar het college daar niet handhavend tegen optreedt is volgens eiser feitelijk een gedoogsituatie ontstaan, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel om die reden gegrond zou moeten worden verklaard. Verder worden er rondom het gemeentehuis door omwonenden ook doeken gespannen tussen bomen of palen boven hun auto’s, ter voorkoming van schade. Eiser heeft ook hiervan twee foto’s overgelegd. Volgens eiser is het spannen van dergelijke doeken niet toegestaan, maar wordt ook dat door het college gedoogd. Ook om die reden had het college eisers carport moeten toestaan.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan zijn bevoegdheid om in afwijking van het Omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte heeft en de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt dus niet zelf of er wel of geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
Welstandsadvies
De rechtbank volgt eiser allereerst niet in het betoog dat het college niet op het advies van de CRMK had mogen afgaan. Vooropgesteld zij dat het college niet aan het advies van de CRMK is gebonden. De verantwoordelijkheid voor de toets of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, berust bij het college. Volgens vaste rechtspraak mag het college echter wel op het advies van de CRMK afgaan, nadat het college is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van het advies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is alleen anders als eiser daar een rapport van een andere deskundig te achten persoon of instantie tegenover heeft gezet, of concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid en de begrijpelijkheid van het advies en de daarin getrokken conclusies.
Volgens de CRMK voldoet eisers carport niet aan de welstandsnota. De CRMK wijst er op dat het Omgevingsplan in eerste instantie regulerend optreedt waar het de rooilijnen en maximale afmetingen betreft. Specifiek voor bijgebouwen schrijft de welstandsnota voor dat die bepalend kunnen zijn voor het straatbeeld, zodat de voorkeur uit gaat naar plaatsing aan een achterkant met een volume ondergeschikt aan het oorspronkelijke hoofdgebouw. De vormgeving is daarbij af te stemmen op het karakter van het hoofdgebouw of de inrichting van het erf. De CRMK stelt vervolgens vast dat de carport van eiser niet de objectcriteria voldoet. Zo moeten bijgebouwen op tenminste 1 meter achter de voorgevellijn en vanaf het openbaar toegankelijk gebied zijn geplaatst, en de carport van eiser ligt vóór de voorgevellijn. Omdat de carport van eiser dus afwijkt, heeft de CRMK nog gekeken naar de gebiedscriteria die in de welstandsnota zijn opgenomen voor het schrijverskwartier. Hierover schrijft de CRMK: “De carport bevindt zich in het schrijverskwartier. Deze tuinwijk heeft een schilderachtig straatbeeld met zorgvuldig vormgegeven korte rijen woningen en groene voortuinen. Ook het straatbeeld van de [straat] wordt bepaald door een rustige baksteenarchitectuur en groene voortuinen van circa zes meter diep. De voorgestelde carport tast de stedenbouwkundige waarden onevenredig aan en schept daardoor een ongewenst precedent voor de rest van de wijk.”
De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de CRMK volgen en stelt vast dat die in lijn zijn met het welstandsbeleid. Wat eiser daar tegenover heeft gezet doet de rechtbank niet twijfelen aan zorgvuldigheid en de begrijpelijkheid van het advies. Dat eiser professioneel advies heeft ingewonnen en zijn carport zelf wel passend vindt, legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het deskundig advies van de CRMK. De rechtbank ziet ook niet dat het welstandsbeleid inconsistent en eenzijdig zou zijn. Het is niet vereist om in het welstandsbeleid dezelfde objectcriteria te hanteren voor zonnepanelen, uitbouwen en erfafscheidingen, als voor bijgebouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser heeft de rechtbank op de zitting nog gevraagd om de gelegenheid om na afloop van de zitting een tegenrapport in te dienen. De rechtbank wijst dit verzoek echter af, omdat het in strijd is met de goede procesorde. Stukken moeten uiterlijk tien dagen voor de zitting bij de rechtbank binnen zijn (dat staat in artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is voldoende tijd en ruimte geweest om een tegenrapport in te dienen vóór die tijd.
Belangenafweging
De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat het college in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn belangen. Het college heeft voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Daarin worden de belangen van eiser wel genoemd, maar niet afgewogen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook gebrekkig gemotiveerd.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het college alsnog toegelicht waarom de belangen van eiser niet zouden moeten opwegen tegen de met de welstand strijdige carport. Allereerst is een carport in deze vorm en op deze plek op het perceel, volgens haar niet noodzakelijk voor het voorkomen van schade door vogelpoep. Daar zijn ook andere oplossingen voor zoals een beschermende coating of een autohoes. Bovendien staat de boom voor eisers woning er inmiddels niet meer (die is omgewaaid). Ook ter voorkoming van auto-inbraak zijn mogelijkheden voorhanden die minder van invloed zijn op het straatbeeld, zoals een alarminstallatie, camera’s en verlichting. Het nieuwe parkeerbeleid kan volgens de gemachtigde van het college tenslotte evenmin betekenen dat het college een carport zou moeten toestaan in strijd met de welstandseisen.
De rechtbank stelt vast dat het college de belangen van eiser hiermee alsnog heeft afgewogen tegenover het algemeen belang bij het handhaven van de welstandseisen. De rechtbank kan de afweging van het college ook inhoudelijk volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het eiser wel is toegestaan om een carport op eigen terrein te realiseren in het achtererfgebied, maar dan wel in overeenstemming met het welstandsbeleid. Eiser heeft geen belangen genoemd die maken dat in zijn geval een carport in strijd met het welstandsbeleid zou moeten worden toegestaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gebrekkige motivering van het bestreden besluit met de nadere toelichting op de zitting voldoende hersteld. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser (los van het feit dat hij genoodzaakt was beroep in te stellen) niet is benadeeld door het motiveringsgebrek. Eiser heeft op de zitting op de nadere toelichting van het college kunnen reageren. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom passeren (dat kan op grond van artikel 6:22 van de Awb). Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt, maar gelet op het herstel in beroep niet leidt tot een gegrond beroep en vernietiging van het bestreden besluit.