Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

82ste uitspraak BOPA o.a. verschil in toetsing Omgevingswet vs. wabo aan instructieregel provincie (m.b.t. natuurnetwerk Noord-brabant)

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2025:8062) de 82ste uitspraak gedaan over de BOPA. De BOPA handelde over een hondenuitlaatterrein voor het 10 jaar afwijken van het omgevingsplan t.b.v. het bedrijfsmatig uitlaten van honden op gronden met de bestemming “Natuur”. De locatie valt ook onder het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB), dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Eiseres betoogt dat de activiteit leidt tot aantasting van het NNB en dat de BOPA daarom niet verleend had mogen worden. Het college betwist dat het NNB nadelig wordt beïnvloed.

23 January 2026

Bij een BOPA-aanvraag zijn o.g.v. art. 8.0b, lid 1 Bkl op de beoordeling v.d. aanvraag de op grond van art. 2.33 Bkl gegeven instructies over omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op grond van art. 8.0b, lid 2 Bkl wordt een BOPA geweigerd als de BOPA zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie. In hoofdstuk 5 Omgevingsverordening hebben Provinciale Staten de instructieregels (als bedoeld in art. 2.33 Bkl) voor het omgevingsplan vastgesteld. In paragraaf 5.2.5 Omgevingsverordening zijn de regels t.a.v. het NNB opgenomen. Het college heeft hieraan getoetst en overwogen dat wordt voldaan aan deze instructieregels uit de Omgevingsverordening.Een eerder aan de orde zijnde omgevingsvergunning was verleend met toepassing van art. 2.12, lid 1, onder a, onder 2° Wabo. In dat geval wordt de activiteit niet rechtstreeks aan de (destijds geldende) Interim Omgevingsverordening getoetst. Omdat de derde-partij een (nieuwe) aanvraag om een omgevingsvergunning heeft gedaan na 1 januari 2024, moet deze BOPA o.g.v. art. 8.0b Bkl, worden getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening. Het standpunt van de derde-partij, dat zij vanwege het gelijkheidsbeginsel recht heeft op ‘dezelfde vergunning’ als verleend is, volgt de rb. daarom niet. Het betreft namelijk geen gelijke gevallen.

De rb. ziet niet in hoe het bedrijfsmatig uitlaten van honden kan leiden tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking v.d. ecologische waarden en kenmerken van het NNB als geheel, zoals wordt vereist in art. 5.36, sub c Omgevingsverordening. GS heeft hier in het advies ook op gewezen en tevens gewezen op de weigeringsgrond ingevolge art. 8.0b, lid 2 Bkl. Dat GS daarna geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, wil niet zeggen dat GS dit standpunt heeft verlaten. De rb. leest in het bestreden besluit geen motivering waarom sprake is van een kwalitatieve of kwantitatieve versterking. Het beroep is gegrond, onduidelijk is of de BOPA is verleend met inachtneming van art. 8.0b, lid 2, Bkl.

NADERE TOELICHTING BEROEPSGRONDEN

Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het gedurende tien jaar afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het bedrijfsmatig uitlaten van honden op gronden met de enkelbestemming “Natuur” op het adres [adres] ong. kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie B, nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] .

Eiseres is het met het verlenen van deze omgevingsvergunning niet eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen.

Op 29 januari 2024 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster de omgevingsvergunning aangevraagd. Met het besluit van 27 juni 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en partijen in de gelegenheid gesteld aan te geven wat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2847), die gaat over een hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBOBR:2023:3164) over een omgevingsvergunning voor het gedurende tien jaar afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het bedrijfsmatig uitlaten van honden op gronden met de enkelbestemming “Natuur” op het adres [adres] ong. kadastraal bekend B [nummer] en B [nummer] en het plaatsen van een hekwerk, voor gevolgen heeft voor onderhavige beroepsprocedure.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

Het college heeft op 20 december 2020 aan een rechtsvoorganger van vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het gedurende tien jaar toestaan van het bedrijfsmatig uitlaten van honden op gronden met de enkelbestemming “Natuur” op het adres [adres] ong. kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie B, nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] (de locatie). De gronden op de locatie worden feitelijk al geruime tijd (meer dan tien jaar) als hondenuitlaatterrein gebruikt. Op deze percelen zijn diverse hondenuitlaatbedrijven actief, zoals [naam] , [naam] , [naam] en [naam] . De percelen op de locatie hebben op basis van het Natuurbeheerplan de status van gerealiseerd Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB), namelijk dat van ‘N16.03 Droog bos met productie’ en ‘N07.01 Droge heide’. Het betreft twee percelen van circa één hectare en één perceel van bijna vier hectare. De omgevingsvergunning staat toe dat meerdere hondenuitlaatbedrijven de percelen gebruiken.

Het tegen deze omgevingsvergunning gemaakte bezwaar van eiseres heeft het college met de beslissing op bezwaar van 21 december 2021 ongegrond verklaard.

Met de uitspraak van 30 juni 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant deze beslissing op bezwaar vernietigd, omdat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, niet gebaseerd is op een deugdelijk integrale belangenafweging en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft het college daarbij opgedragen om binnen zes maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de rechtbank, totdat een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen, toegestaan de gronden op de locatie te gebruiken als hondenuitlaatterrein voor zeven dagen per week, waarbij de in het besluit opgenomen tabel, die bepaalt dat maximaal één uur aaneengesloten een groep (loslopende) honden mag worden uitgelaten, moet worden gevolgd en met inachtneming van de overige voorschriften uit de omgevingsvergunning.

Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Eiseres heeft dat hoger beroep later ingetrokken.

Het college heeft, voordat het een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, partijen in de gelegenheid gesteld (nader) onderzoek uit te voeren. Dat heeft geleid tot een ecologische impactanalyse van Econsultancy van 12 oktober 2023 en een second opinion van Avos Bosadvies van 6 november 2023. Omdat het college uit de impactanalyse de conclusie trok dat in het aanvullend onderzoek onvoldoende de effecten van de activiteiten op het NNB als geheel zijn onderzocht en daardoor onduidelijk is of en in hoeverre de activiteiten leiden tot significante verslechtering van de natuurwaarden, heeft het college de verleende omgevingsvergunning herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

Op 29 januari 2024 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster, na overleg met het college, een omgevingsvergunning aangevraagd voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van de voorgenomen activiteit. Econsultancy heeft een aanvullend onderzoek uitgevoerd, dat heeft geleid tot het rapport ‘Vegetatievergelijking hondenuitlaatterreinen en NNB’ van 2 april 2024. Daarin wordt geconcludeerd dat er geen schade of hinder voor het NNB bestaat als dagelijks binnen een beperkt tijdslot honden worden uitgelaten.

Het college van Gedeputeerde Staten (GS) heeft op 20 juni 2024 een advies uitgebracht over de verlening van de omgevingsvergunning (GS heeft op basis van artikel 16.15a, onder d, van de Ow en artikel 4.25, eerste lid, onder g, en artikel 4.37 van het Omgevingsbesluit gevallen aangewezen waarin advies met instemming geldt).

Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een periode van tien jaren onder de volgende voorwaarden:

-De adviezen uit de rapportage 23409.002 van Econsultancy ‘Vegetatievergelijking hondenuitlaatterreinen en NNB’ d.d. 2 april 2024 dienen opgevolgd te worden.

-De exploitatie van de hondenuitlaatservice op 3 percelen vindt 5 dagen per week plaats (met uitzondering van perceel B [nummer] : 4 dagen per week) met een gemiddelde tijdsduur van 2 uur per perceel per dag verdeeld over 2 tijdvakken. Het eerste tijdvak betreft in de ochtend tussen 10:00 en 12:00 uur. Het tweede tijdvak betreft in de middag tussen 12:00 en 14:00 uur.

-De uitwerpselen van honden dienen dezelfde dag en binnen hetzelfde tijdvak nog opgeruimd te worden.

-De honden dienen tijdens het uitlaten altijd te worden aangelijnd.

Met het besluit van 27 maart 2025 heeft het college de tenaamstelling van de verleende omgevingsvergunning gewijzigd naar de naam van de derde-partij. Zij is mede-eigenaar van één van de percelen op de locatie.

Toetsingskader

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente, op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet omgevingswet, automatisch een omgevingsplan met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreden van de Ow ter inzage is gelegd.

Op de betreffende percelen op de locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Nuenen” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Volgens dat bestemmingsplan geldt op de percelen op de locatie, voor zover relevant, de enkelbestemming “Natuur”. De percelen op de locatie vallen ook onder het NNB dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant (de Omgevingsverordening).

De derde-partij is van mening dat het college haar aanvraag had moeten beoordelen volgens het oude recht (het recht dat gold vóór 1 januari 2024). Zij wil dat haar aanvraag hetzelfde wordt behandeld als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de percelen gelegen aan de [adres] . Het college heeft, in navolging van de rechtbank in de eerdere zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 30 juni 2023, gevraagd om een nieuw ecologisch onderzoek en pas na 1 januari 2024 gesteld dat een nieuwe aanvraag moest worden ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat de derde-partij hier te laat mee komt. Als zij de handelwijze van het college aan de orde had willen stellen, had zij zelf beroep moeten instellen tegen het bestreden besluit. De rechtbank begrijpt de frustratie van de derde-partij, maar zij moet oordelen over het besluit van het college op de door de derde-partij na 1 januari 2024 ingediende aanvraag.

De relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit

Eiseres stelt dat geen vergunning (meer) kon worden verleend, omdat de aanvraag op 5 maart 2024 is ingetrokken. Zij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een e-mail waarin dit wordt medegedeeld door een ambtenaar van de gemeente.

Het college heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat het niet bekend is met een intrekking van de aanvraag.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de aanvraag om een omgevingsvergunning door de derde-partij of haar rechtsvoorganger is ingetrokken. De rechtbank kan dit niet afleiden uit de door eiseres overgelegde e-mail. Dat betekent dat het college bevoegd was een besluit te nemen op de aanvraag.

Omvang van het bestreden besluit

Eiseres verzet zich tegen de aanwezigheid van hekwerken op de locatie, omdat deze ervoor kunnen zorgen dat dieren vast komen te zitten. De aanwezigheid van hekwerken is ook niet meer noodzakelijk, omdat inmiddels een aanlijnverplichting aan de omgevingsvergunning is verbonden.

Het college stelt dat in dit geval geen vergunningplicht geldt voor het plaatsen van hekwerken. Alleen erf- en terreinafscheidingen hoger dan één meter zijn vergunningplichtig en daarvan is in dit geval geen sprake. Het college stelt verder dat het met name paaltjes betreft, met daartussen een gespannen draad. Zo’n draad belemmert de passeerbaarheid voor fauna niet en eiseres heeft ook niet onderbouwd waarom dat wel het geval is, aldus het college.

De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning niet ziet op het oprichten of gebruiken van hekwerken. Hetgeen eiseres stelt, wat daar ook van zij, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De beoogde ontwikkeling in het NNB

Eiseres betoogt dat de activiteit leidt tot aantasting van het NNB en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. De activiteit is niet rechtsreeks toegestaan op basis van het geldende omgevingsplan en evenmin op basis van de instructieregels die de Omgevingsverordening stelt ten aanzien van het NNB. Dat heeft GS ook aangegeven in het bindend advies van 24 juni 2024, aldus eiseres.

De activiteit past naar zijn aard ook niet in een gebied dat onderdeel is van het NNB, omdat hondenuitlaatbedrijven een negatief effect op de te beschermen natuurwaarden hebben. Honden brengen significante schade toe aan de natuur en tasten het NNB zowel kwantitatief als kwalitatief aan, omdat zij dieren opjagen, verwonden en/of doodbijten, migratieroutes doorkruizen, territoria van aanwezige soorten verkleinen en belemmeren, zorgen voor een toename van stikstofdepositie door uitwerpselen te deponeren en neonicotinoïden en vachtdruppels achterlaten. In het bestreden besluit is niet gemotiveerd hoe de activiteit bijdraagt aan het NNB als geheel. Bovendien zijn door het college geen alternatieven besproken. Doordat een aanlijnverplichting voor de honden is opgenomen, valt volgens eiseres niet meer in te zien waarom de honden niet op de in de gemeente gelegen hondenuitlaatgebieden of aanwezige wegen, paden en/of speel- en poepvelden kunnen worden uitgelaten. Het argument dat de percelen op de locatie zijn omheind, heeft namelijk door toevoeging van het aanlijngebod geen waarde meer. Eiseres vindt dat het college ook had moeten kijken naar industrieterreinen, binnenopvang of een andere inpassing in of rond de bestaande losloopgebieden buiten de bossen van [plaats] .

Eiseres betoogt verder dat het rapport van Econsultancy enkele essentiële fouten en gebreken bevat. De andere ecologische rapporten, waaronder die van Avos Bosadvies waarin tot een heel andere conclusie wordt gekomen, en wetenschappelijke literatuur zijn ten onrechte niet besproken of weerlegd.

Het college betwist dat het gebruik van de gronden op de locatie het NNB nadelig beïnvloedt. Er ligt inmiddels een extra aanvullend onderzoek waarin een vergelijking is gemaakt met percelen waar geen honden worden uitgelaten en het is niet gebleken dat dit afwijkt van de percelen op de locatie waar wel honden worden uitgelaten. Het college heeft daaruit afgeleid dat geen sprake is van schade of hinder voor het NNB als honden, binnen een tijdslot, worden uitgelaten. Daarnaast heeft een beleidsmedewerker van de gemeente de situatie bekeken en heeft hij geen zichtbare sporen van het uitlaten van honden gevonden. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de provincie zich niet tegen de vergunningverlening heeft verzet. Er is volgens het college slechts in het advies aangegeven dat een aanlijnverplichting aan de omgevingsvergunning moet worden verbonden. Dat heeft het college vervolgens ook gedaan.

Het college wijst er verder op dat iedere particuliere hondeneigenaar met zijn of haar aangelijnde hond op alle paden in het bos welkom is en dat dan dezelfde verstoring en deponering van uitwerpselen plaatsvindt.

Het college betwist dat geen alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden. Dat is wel gebeurd. Uit dat onderzoek volgt dat het (tijdelijk) huren van een (voormalig) agrarisch perceel niet mogelijk is vanwege de onwelwillendheid van de eigenaren van deze percelen en omdat deze terreinen voorlopig ongeschikt zijn. Bovendien is kopen geen reële optie. Een industrieel perceel of bedrijfsperceel is niet wenselijk of bevorderlijk voor de honden, omdat zij gebaat zijn bij het kunnen spelen en snuffelen in bosrijk gebied. Het college merkt verder op dat de gemeente geen uitlaatgebieden kent, maar alleen uitlaatstroken. Die zijn dusdanig smal dat het ongewenst is om daar groepen honden uit te laten.

De rechtbank stelt voorop dat het exploiteren van een hondenuitlaatservice op gronden met de enkelbestemming “Natuur” niet is toegestaan op basis van het geldende omgevingsplan, omdat het niet past binnen de bestemmingsomschrijving en evenmin valt aan te merken als extensief recreatief medegebruik. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.

Dat betekent dat het college alleen toestemming kan geven voor deze activiteit door een omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn op grond van artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) op de beoordeling van de aanvraag onder meer de op grond van artikel 2.33 van het Bkl gegeven instructies over omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid.

In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening hebben Provinciale Staten de instructieregels (als bedoeld in artikel 2.33 van het Bkl) voor het omgevingsplan van gemeenten vastgesteld. In paragraaf 5.2.5 van de Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van het NNB opgenomen. Het college heeft hieraan getoetst en in het bestreden besluit overwogen dat, mede door het stellen van handhaafbare voorschriften, wordt voldaan aan deze instructieregels uit de Omgevingsverordening, meer specifiek aan de artikelen 5.30 en 5.36 van de Omgevingsverordening.

De rechtbank merkt op dat onderhavige omgevingsvergunning op dit punt verschilt van de omgevingsvergunning voor het gedurende tien jaar afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het bedrijfsmatig uitlaten van honden op gronden met de enkelbestemming “Natuur” op het adres [adres] ong. kadastraal bekend B 3295 en B 3296 en het plaatsen van een hekwerk, die door de Afdeling met haar uitspraak van 25 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2847) in stand is gelaten. De daar aan de orde zijnde omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dat geval wordt de activiteit niet rechtstreeks aan de (destijds geldende) Interim Omgevingsverordening getoetst. Omdat de derde-partij een (nieuwe) aanvraag om een omgevingsvergunning heeft gedaan na 1 januari 2024, en dus na inwerkingtreding van de Ow, moet deze omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 8.0b van het Bkl, worden getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening. Het standpunt van de derde-partij, dat zij vanwege het gelijkheidsbeginsel recht heeft op ‘dezelfde vergunning’ als verleend is ten aanzien van de percelen aan de [adres] , volgt de rechtbank daarom niet. Het betreft namelijk geen gelijke gevallen.

De artikelen 5.30 en 5.36 van de Omgevingsverordening luiden als volgt:

Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een omgevingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken ;

bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken ; en

staat alleen bestaande bebouwing en bestaande gebruiksactiviteiten toe zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd.

(…)

Artikel 5.36 Ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden

Een omgevingsplan kan een ontwikkeling binnen het Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat:

de aantasting van het areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is;

de aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant beperkt is;

de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel;

er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden;

r sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing;

bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 5.37; en

in het omgevingsplan is aangegeven op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.

Bij de toelichting op dit artikel in de Omgevingsverordening is het volgende vermeld:

“Deze uitzondering is niet bedoeld om het beschermingsregime van het NNB te omzeilen. Vandaar ook dat de voorwaarde is opgenomen dat er enkel sprake kan zijn van een nieuwe begrenzing als het plan ook leidt tot een versterking van het NNB. Dit kan bijvoorbeeld doordat er knelpunten worden opgelost of een kwaliteitsverbetering ontstaat naast de verplichte compensatie. Ook bij een kleinschalige herbegrenzing geldt de voorwaarde dat de gemeente verzoekt om een aanpassing van de grenzen van het NNB. Wat kleinschalig is, kan per geval verschillen en betreft maatwerk.”

De rechtbank stelt vast dat binnen het NNB het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kernmerken vooropstaan. Andere ontwikkelingen zijn in principe niet mogelijk. Uitzondering hierop zijn kleinschalige ontwikkelingen waarvoor geen alternatieve opties zijn en die leiden tot een versterking van het NNB als geheel. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan wel aan alle voorwaarden, zeker de voorwaarde van artikel 5.36, onder c, van de Omgevingsverordening worden voldaan. Dat komt tot uitdrukking in bovengenoemde passage in de toelichting. De rechtbank komt tot het oordeel dat de activiteit zich niet verhoudt tot het bepaalde. De rechtbank ziet niet in hoe het bedrijfsmatig uitlaten van honden kan leiden tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB als geheel , zoals wordt vereist in artikel 5.36, sub c, van de Omgevingsverordening. GS heeft hier in het advies van 20 juni 2024 ook op gewezen en tevens gewezen op de weigeringsgrond ingevolge artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl. Dat GS daarna geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, wil niet zeggen dat GS dit standpunt heeft verlaten. De rechtbank leest in het bestreden besluit in ieder geval geen motivering waarom sprake is van een kwalitatieve of kwantitatieve versterking. Dat de nadelige effecten van het (aangelijnd) uitlaten van honden in het NNB volgens het college beperkt zijn, hetgeen overigens door eiseres wordt betwist, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Dat is nog steeds geen versterking van het NNB als geheel. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank komt verder tot het oordeel dat, zoals eiseres terecht stelt, uit de omgevingsvergunning onvoldoende blijkt welke bedrijven op de locatie een uitlaatservice mogen exploiteren, en wanneer, omdat de tabel die in de eerdere omgevingsvergunning van 20 december 2020 was opgenomen in het bestreden besluit ontbreekt. Het bestreden besluit is op dat punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Daardoor is onduidelijk of de omgevingsvergunning is verleend met inachtneming van artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen.

De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien. Het advies van GS laat de ruimte om te onderbouwen waarom toch zou kunnen worden voldaan aan artikel 5.36 van de Omgevingsverordening. De rechtbank betrekt daar bij dat de derde-partij heeft aangegeven open te staan de activiteiten zodanig in te kleden dat deze worden beperkt tot de twee percelen van circa één hectare en qua tijd en dag worden gemaximeerd.

De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, bepalen dat het college een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van 12 weken. Het college kan de derde-partij, voordat dit nieuwe besluit wordt genomen, in de gelegenheid stellen de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. In het te nemen besluit zal in ieder geval moeten worden beoordeeld en gemotiveerd op welke wijze de omgevingsvergunning leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van het NNB als geheel.

Artikel delen