Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

84ste rechterlijke uitspraak BOPA, o.a. hergebruiken advies en instemming provincie, (on)uitvoerbaarheidstoets i.v.m. Natura 2000-activiteit

Op 3 februari 2026 heeft de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:958) de inmiddels 84ste uitspraak gedaan over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).

3 February 2026

Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning is onder meer aan het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) een verklaring van geen bedenkingen gevraagd als bedoeld in artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Door GS is destijds aangegeven dat de in de aanvraag voorziene activiteiten met zekerheid geen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied, waardoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen.

Op 6 mei 2025 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een opslag- en kegelbaangebouw bij het Emmaüs.

De provincie Limburg heeft in haar advies vermeld dat zij – wanneer de aanvraag omgevingsvergunning niet meer wordt gewijzigd en verweerder overeenkomstig de aanvraag beslist – geen aanspraak maakt op haar recht van instemming op grond van artikel 16.16, vierde lid, van de Omgevingswet. Er is voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit door verweerder (verplicht) advies en instemming aan GS gevraagd. GS heeft op 20 juni 2025 aangegeven dat geen aanspraak wordt gemaakt op het recht op instemming. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat GS het standpunt is toegedaan dat voor het realiseren van het opslag- kegelbaangebouw geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. De bij de aanvraag van de omgevingsvergunning behorende stukken (zie rechtsoverweging 3) ondersteunen die conclusie van GS en de voorzieningenrechter is van oordeel dat GS zich bij de beoordeling terecht heeft beperkt tot het thans aangevraagde project. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het advies van GS aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

In het onderhavige geval ligt geen omgevingsvergunning voor een natura 2000 – activiteit ter beoordeling voor. Dit betekent dat de vraag of deze nodig is en aan het verlenen van het bestreden besluit in de weg staat - zoals verzoekers betogen - alleen kan spelen als onderdeel van de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties door verweerder. Als onderdeel van die beoordeling moet verweerder motiveren waarom een eventuele natura-2000 activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Op basis van de hiervoor vermelde bij de omgevingsvergunning behorende stukken bestaat geen grond voor het oordeel dat een eventuele natura-2000 activiteit op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt.

VOLLEDIGE OVERWEGINGEN

Aan het bestreden besluit gaat een voorgeschiedenis vooraf. Voor zover relevant zal de voorzieningenrechter dat hierna vermelden, samen met de relevante feiten. Bij besluit van 18 maart 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een parkeerplaats en het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden van het pand (het Emmaüs) aan de [adres] te Mechelen.

Het Emmaüs is door die omgevingsvergunning geschikt gemaakt voor gebruik als zakelijke ontmoetingsruimte (workshop/seminars), vergaderlocatie en conferentieruimte onder andere ten behoeve van de Liza Group. Aan de omgevingsvergunning zijn onder meer de voorschriften verbonden dat het aanleggen van de parkeerplaats buiten het broedseizoen van de vogels dient plaats te vinden en dat als gevolg van de aanleg van de parkeerplaats geen bomen mogen worden gekapt dan wel handelingen mogen worden verricht die de dood of ernstige beschadiging van de op het terrein aanwezige bomen tot gevolg kunnen hebben. Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning is onder meer aan het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) een verklaring van geen bedenkingen gevraagd als bedoeld in artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Door GS is destijds aangegeven dat de in de aanvraag voorziene activiteiten met zekerheid geen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied, waardoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De omgevingsvergunning van 18 maart 2024 staat in rechte vast sinds een uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 juli 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:6053) waartegen geen hoger beroep is aangewend.

Op 6 mei 2025 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een opslag- en kegelbaangebouw bij het Emmaüs. Ten behoeve van de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin is vermeld dat de bestaande kegelbaan in zeer slechte staat verkeert. De nieuwe kegelbaan wordt herbouwd op de vergunde parkeervoorziening maar enkele meters buiten het bijbouwvlak zodat het gebouw richting het midden van de vergunde parkeervoorziening en wat verder af van het bos komt te liggen. Tevens wordt een opslagruimte gevraagd voor tuingereedschappen en brandhout die voorheen in de openlucht werden opgeslagen. Bij de aanvraag is onder meer een stikstofberekening, een Aerius projectberekening, een rapport ‘Inspectie beschermde natuurwaarden [adres] ’ en het advies van de Provincie Limburg van 20 juni 2025 gevoegd. De AERIUS-calculator 2024 geeft als uitkomst dat de emissie als gevolg van het onderhavige project niet hoger is dan 0,00 mol/ha/ja. Er vindt ook geen meetbare verhoging van de emissie van NOx plaats in Natura 2000-gebied als gevolg van de bouw en het gebruik van het kegelbaangebouw. In de berekeningen is de in 2024 vergunde parkeerplaats niet meegenomen. De provincie Limburg heeft in haar advies vermeld dat zij – wanneer de aanvraag omgevingsvergunning niet meer wordt gewijzigd en verweerder overeenkomstig de aanvraag beslist – geen aanspraak maakt op haar recht van instemming op grond van artikel 16.16, vierde lid, van de Omgevingswet.

De aanvraag van 6 mei 2025 is door verweerder in strijd bevonden met het Omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan Buitengebied Gulpen-Wittem, vastgesteld op 2 april 2009) vanwege het bouwen van een bijgebouw deels buiten het aangewezen bouwvlak/bijbouwvlak. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een opslag- en kegelbaangebouw onder de daaraan verbonden voorschriften verleend. Concreet ziet de omgevingsvergunning op een bouwactiviteit (technisch) en een omgevingsplanactiviteit (bouwen in afwijking van het omgevingsplan). Aan de omgevingsvergunning voor het bijgebouw is onder meer als voorschrift verbonden dat de voorwaarden, zoals opgenomen in de op 18 maart 2024 verleende vergunning voor het aanleggen van een parkeerplaats en het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden van het pand Emmaüs onverminderd van kracht blijven. Verder dat het opslag- en kegelbaangebouw als ondergeschikt en functioneel verbonden aan de hoofdfunctie wordt aangemerkt. Het bijgebouw mag uitsluitend worden gebruikt door de bewoners van [adres] en hun gasten, alsmede ondergeschikt en ondersteunend door personen die bedrijfsmatig van wege de in 2014 verleende verruimde gebruiksmogelijkheden in het pand aanwezig zijn. Het opslag- en kegelgebouw mag niet zelfstandig verhuurd worden. Gelet op de kwetsbare ligging van het perceel in het Natuurnetwerk Limburg en nabij een stiltegebied dienen alle bedrijfsmatige activiteiten inpandig plaats te vinden. Er zijn daarom geen buitenactiviteiten toegestaan. De onderhavige omgevingsvergunning en de gestelde voorwaarden zijn in aanvulling op de omgevingsvergunning van 18 maart 2024, die onverminderd van kracht blijft.

Het verzoek om voorlopige voorziening

Onder meer verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hun bezwaar richt zich mede tegen de eerder verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van een parkeerplaats. Volgens verzoekers heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning van 18 maart 2014 een onvoldoende natuurtoets plaatsgevonden en zou die vergunning nu niet meer kunnen worden verleend. Het in uitvoering nemen daarvan door de niet gerealiseerde parkeerplaats alsnog aan te leggen, zal volgens verzoekers tot onomkeerbare aantasting van het omliggend Natura 2000-gebied Geuldal leiden, zowel door aantasting van het gebied door stikstofdepositie als verstoring van beschermde soorten. Verzoekers betogen dat de geldende jurisprudentie over toetsing van natuurtoestemmingen in dit geval op het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bijgebouw van toepassing is omdat tevens de effecten van de aanleg van de parkeerplaats nu die niet is gerealiseerd, opnieuw moeten worden beoordeeld. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om de omgevingsvergunning van 19 november 2025 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar dan wel de uitspraak van de rechtbank. Verder verzoeken zij de voorzieningenrechter om verweerder te verplichten om het uitvoeren van de werkzaamheden verband houdende met het eerste onderdeel van het totale project, in casu de aanleg van de verdiepte parkeerplaats, niet toe te staan hangende de bezwaarprocedure. Zulks onder veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Bestreden besluit is niet evident onrechtmatig

Als het spoedeisend belang ontbreekt, dan is er in beginsel geen mogelijkheid voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is slechts anders, wanneer sprake is van een ‘evident onrechtmatig besluit’. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers de aanleg van de parkeerplaats willen tegenhouden via de procedure tegen de omgevingsvergunning voor het opslag- kegelbaangebouw. Zij vrezen dat die aanleg tot onomkeerbare schade aan het omliggend Natura 2000 gebied het Geuldal zal leiden. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers in het kader van hun bezwaar tegen het bestreden besluit aldus dat volgens hen in het kader van de te beoordelen natuurtoestemming sprake is van één project en dat de voor dat project vereiste omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit ontbreekt. Volgens verzoekers kan een dergelijke vergunning ook niet worden verleend omdat niet kan worden voldaan aan de huidige eisen die daaraan in de jurisprudentie zijn gesteld (G=gewezen is onder meer op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (PAS) en 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac). Verzoekers voeren aan dat ‘de gemeente de niet gerealiseerde vergunde activiteiten (aanleg parkeerplaats) niet als referentiesituatie mocht gebruiken maar die wel heeft meegewogen’.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekers geen doel treft. Er is voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit door verweerder (verplicht) advies en instemming aan GS gevraagd. GS heeft op 20 juni 2025 aangegeven dat geen aanspraak wordt gemaakt op het recht op instemming. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat GS het standpunt is toegedaan dat voor het realiseren van het opslag- kegelbaangebouw geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. De bij de aanvraag van de omgevingsvergunning behorende stukken (zie rechtsoverweging 3) ondersteunen die conclusie van GS en de voorzieningenrechter is van oordeel dat GS zich bij de beoordeling terecht heeft beperkt tot het thans aangevraagde project. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het advies van GS aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

In aanvulling op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter nog op het volgende. In het onderhavige geval ligt geen omgevingsvergunning voor een natura 2000 – activiteit ter beoordeling voor. Dit betekent dat de vraag of deze nodig is en aan het verlenen van het bestreden besluit in de weg staat - zoals verzoekers betogen - alleen kan spelen als onderdeel van de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties door verweerder. Als onderdeel van die beoordeling moet verweerder motiveren waarom een eventuele natura-2000 activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Op basis van de hiervoor onder 11 vermelde bij de omgevingsvergunning behorende stukken bestaat geen grond voor het oordeel dat een eventuele natura-2000 activiteit op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt.

Gelet op voorgaande overwegingen, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig zou zijn.

Artikel delen