Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

86ste uitspraak BOPA! o.a. etfal toetsing en recreatiewoningen + dat de tuinkamer er al staat niet relevant voor etfal + precedentwerking

Op 6 februari 2026 deed de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2026:329, de inmiddels 86ste BOPA-uitspraak. Ditmaal weer eens over een weigering om een BOPA (ter legalisering) te verlenen. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om een tuinkamer aan zijn recreatiewoning te legaliseren. Het college heeft de aanvraag afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de tuinkamer niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

6 February 2026

Samenvattingen

De rechtbank ziet geen grond voor eisers stelling dat voor de beoordeling en toetsing van een ETFAL in een recreatieve setting een ander, uniek toetsingskader geldt. Een aanvraag moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. Het college moet, ook als het gaat om een recreatiewoning, beoordelen of sprake is van een ETFAL. Het college moet daarbij op basis van een individuele en inhoudelijke beoordeling afwegen of de betrokken activiteit, in afwijking van het omgevingsplan, aanvaardbaar kan worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het geen omgevingsvergunning wil verlenen, omdat de tuinkamer niet voldoet aan een ETFAL. De rechtbank acht van belang dat het in de eerste plaats aan eiser is om de gegevens en bescheiden te overleggen die voor het college nodig zijn om te beoordelen of de gevolgen van de tuinkamer in overeenstemming zijn met een ETFAL (artikel 7.207b, tweede lid, van de Omgevingsregeling). Eiser heeft een toelichting van bouwkundig ontwerpbureau Meinsma overgelegd waarin een summiere ruimtelijke onderbouwing van het plan wordt gegeven.

Het college heeft, mede gelet op deze summiere toelichting en zijn beleidsruimte, voldoende gemotiveerd dat het niet wil afwijken van het bestemmingsplan om de gewenste uniformiteit op het recreatiepark te behouden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de recreatiewoningen het volledige bouwvlak beslaan en uniform zijn gebouwd, zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht. Hiermee is een bepaalde ruimtelijke uitstraling beoogd die het college wil behouden.

Het college heeft tot slot terecht gesteld dat het bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid geen rekening hoeft te houden met de omstandigheid dat de tuinkamer al is gebouwd. Gelet op het voorgaande, heeft het college de ruimtelijke ongewenstheid van de tuinkamer deugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank is verder van oordeel dat het college de vrees voor precedentwerking, en de afwijking op dit punt van het advies van de adviescommissie, voldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het college had moeten onderzoeken of er een alternatieve mogelijkheid was om de tuinkamer te legaliseren overweegt de rechtbank dat het college moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Eiser heeft op 29 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een tuinkamer op het perceel [locatie]. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 maart 2024 afgewezen.

Op het perceel is het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslan (het omgevingsplan) van toepassing. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt gevormd door de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de bruidsschat (artikel 22.1 van de Ow). Het Bestemmingsplan Doarpen (het bestemmingsplan) is dus van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Recreatie – Recreatiewoningen’.’.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de tuinkamer is aan te merken als een aanbouw. Ook is niet (langer) in geschil dat de aanvraag moet worden getoetst aan de bouwregels voor recreatiewoningen. Dit is ter zitting met partijen besproken en partijen zijn het hierover eens.

De rechtbank stelt vast dat de recreatiewoning van eiser het gehele bouwvlak op het perceel beslaat. Dat betekent dat de tuinkamer volledig buiten het bouwvlak is gerealiseerd. Dat is in strijd met van het bestemmingsplan. Van een marginale overschrijding van het bouwvlak, zoals door eiser gesteld, is dan ook geen sprake.

Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow). Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een ETFAL (artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een ETFAL. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

De rechtbank ziet geen grond voor eisers stelling dat voor de beoordeling en toetsing van een etfal in een recreatieve setting een ander, uniek toetsingskader geldt. Een aanvraag moet op zijn eigen merites worden beoordeeld (ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:17). Het college moet, ook als het gaat om een recreatiewoning, beoordelen of sprake is van een ETFAL. Het college moet daarbij op basis van een individuele en inhoudelijke beoordeling afwegen of de betrokken activiteit, in afwijking van het omgevingsplan, aanvaardbaar kan worden geacht (zie de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet (stb. 2020, 400), p. 1613-1614).

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het geen omgevingsvergunning wil verlenen, omdat de tuinkamer niet voldoet aan een etfal.

De rechtbank acht van belang dat het in de eerste plaats aan eiser is om de gegevens en bescheiden te overleggen die voor het college nodig zijn om te beoordelen of de gevolgen van de tuinkamer in overeenstemming zijn met een etfal (artikel 7.207b, tweede lid, van de Omgevingsregeling). Eiser heeft een toelichting van bouwkundig ontwerpbureau Meinsma overgelegd waarin een summiere ruimtelijke onderbouwing van het plan wordt gegeven. Hierin is bovendien ten onrechte gesteld dat de tuinkamer slechts marginaal buiten het bouwvlak is gebouwd.

Het college heeft, mede gelet op deze summiere toelichting en zijn beleidsruimte, voldoende gemotiveerd dat het niet wil afwijken van het bestemmingsplan om de gewenste uniformiteit op het recreatiepark te behouden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de recreatiewoningen het volledige bouwvlak beslaan en uniform zijn gebouwd, zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht. Hiermee is een bepaalde ruimtelijke uitstraling beoogd die het college wil behouden.

Over de stelling van eiser dat de uniformiteit niet wordt aangetast door één enkele tuinkamer overweegt de rechtbank dat één tuinkamer het uniforme beeld van de recreatiewoningen op het park en daarmee de ruimtelijke uitstraling van het park wel degelijk kan aantasten.

Over de stelling van eiser dat er meerdere recreatiewoningen zijn met een tuinkamer heeft het college op de zitting aannemelijk gemaakt dat het daarbij gaat om overkappingen die zonder vergunning mogen worden gebouwd en niet om tuinkamers zoals eiser die heeft gebouwd. Voor zover eiser heeft willen verwijzen naar de omgevingsvergunningen voor de percelen [locatie] en [locatie] die in bezwaar door hem zijn overgelegd, overweegt de rechtbank dat uit de omgevingsvergunningen volgt dat het in die situaties ook niet om tuinkamers ging zoals eiser die heeft gebouwd.

Het college heeft tot slot terecht gesteld dat het bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid geen rekening hoeft te houden met de omstandigheid dat de tuinkamer al is gebouwd. Gelet op het voorgaande, heeft het college de ruimtelijke ongewenstheid van de tuinkamer deugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank is verder van oordeel dat het college de vrees voor precedentwerking, en de afwijking op dit punt van het advies van de adviescommissie, voldoende heeft gemotiveerd (overeenkomstig artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Het college heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat een omgevingsvergunning is verleend precedentwerking kan hebben. Het gaat om een recreatiepark met uniforme recreatiewoningen die binnen het volledige bouwvlak zijn gebouwd. Dat betekent dat de verschillende recreatiewoningen in beginsel geen onderscheidende kenmerken hebben. Op voorhand kan daarom niet worden uitgesloten dat vergunningverlening kan leiden tot precedentwerking.

Omdat het college de ruimtelijke ongewenstheid deugdelijk heeft gemotiveerd mocht het college ook de vrees voor precedentwerking aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag leggen (ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1921, r.o. 7.2).

Ten aanzien van de stelling van eiser dat het college had moeten onderzoeken of er een alternatieve mogelijkheid was om de tuinkamer te legaliseren overweegt de rechtbank dat het college moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Verder kan, als een plan op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1148). Het college vindt de legalisatie van de tuinkamer echter niet aanvaardbaar en was daarom niet gehouden alternatieven te onderzoeken. Bovendien heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er geen alternatieven zijn voor een tuinkamer binnen het bouwvlak, omdat de recreatiewoning al het volledige bouwvlak beslaat.

Artikel delen