Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

92ste uitspraak bopa! o.a. participatie, vng-handreiking, nadeelcompensatie, alternatieven

Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2026:630, de inmiddels 92ste uitspraak gedaan over de BOPA. De Omgevingwet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn (art. 7.4 Omgevingsregeling en art. 16.55 lid 6 Ow). Ook het gemeentelijk beleid stelt participatie niet verplicht.

25 February 2026

Dat beleid ziet op de situatie dat de gemeenteraad een bindend adviesrecht heeft en dat is bij de aanvraag van vergunninghouder niet het geval. Ondanks dat participatie in deze situatie niet verplicht is, heeft vergunninghouder naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de notulen van de informatiebijeenkomst aangetoond dat er ten minste één informatiebijeenkomst voor omwonenden heeft plaatsgevonden, zodat van een gebrek op dit punt geen sprake is. In hoeverre verzoekers tijdens die bijeenkomst volledig zijn geïnformeerd is voor de voorzieningenrechter niet controleerbaar en maakt het oordeel niet anders.

De vzr. overweegt dat uit de ‘onderbouwing BOPA’ bij de aanvraag en de ‘memo aanvaardbaarheid geluid tijdelijke voorziening’, welk stuk het college bij de beslissing op bezwaar zal betrekken, volgt dat bewoners mogelijk iets meer geluid kunnen ervaren dan in de huidige situatie. Omdat het geluid uitsluitend overdag optreedt en past bij het karakter van een bassischool in een woonwijk in gemengd gebied, wordt de tijdelijke toename van de akoestische belasting als aanvaardbaar beschouwd. Ook wordt aan de richtafstand van 10 meter uit de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ voldaan.

De voorzieningenrechter kan het college ook volgen dat het tijdelijke schoolgebouw, dat zich op enige afstand van woningen bevindt en in beginsel alleen overdag in gebruik is, niet leidt tot een zodanig onevenredige aantasting van de privacy dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

Voor zover sprake zou zijn van tijdelijke waardevermindering van de woningen van verzoekers, geldt dat dit aspect geen onderdeel is van het beoordelingskader van de aanvraag om omgevingsvergunning. Voor een verzoek om schadevergoeding (nadeelcompensatie) kunnen verzoekers zich tot het college wenden.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Met het besluit van 19 december 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de tijdelijke huisvesting van de Bosbergschool nabij de [straat 1] en [straat 2] in Hollandsche Rading voor de duur van 17 maanden. Op het terrein van de nieuwe locatie, kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , perceel [perceel] , waar voorheen een speelterrein was, komen tijdelijk geschakelde units te staan die fungeren als noodlokalen totdat het huidige schoolgebouw aan de Dennenlaan 59 is gesloopt en vervangen door nieuwbouw.

Verzoekers wonen tegenover de tijdelijke locatie van de school. Zij hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorzienig te treffen.

Participatie

Verzoekers voeren aan dat in strijd met het participatiebeleid is gehandeld, omdat omwonenden niet vroegtijdig zijn betrokken bij de besluitvorming. Ook zijn tijdens de informatieavond geen duidelijke tekeningen gedeeld, waardoor verzoekers niet goed konden beoordelen wat er precies gebouwd zou worden.

De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn (artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet). Ook het gemeentelijk beleid stelt participatie niet verplicht. Dat beleid ziet op de situatie dat de gemeenteraad een bindend adviesrecht heeft en dat is bij de aanvraag van vergunninghouder niet het geval. Ondanks dat participatie in deze situatie niet verplicht is, heeft vergunninghouder naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de notulen van de informatiebijeenkomst aangetoond dat er ten minste één informatiebijeenkomst voor omwonenden heeft plaatsgevonden, zodat van een gebrek op dit punt geen sprake is. In hoeverre verzoekers tijdens die bijeenkomst volledig zijn geïnformeerd is voor de voorzieningenrechter niet controleerbaar en maakt het oordeel niet anders.

De aanvraag om omgevingsvergunning

Verzoeker 1 voert aan dat aanvraag meerdere onvolkomenheden bevat, waaronder onduidelijkheden over afmetingen, hoogtes en positionering. Daarnaast zouden visualisaties en duidelijke situatietekeningen ontbreken en zou sprake zijn van inconsistentie tussen aanvraag, presentatie en mondelinge toelichting. Verder zou de richting van het gebouw verkeerd zijn weergegeven en zou de omgevingsvergunning niet zijn verleend voor de locatie tegenover de woning van verzoekers.

Het college gaat bij de beoordeling uit van de aanvraag zoals die is ingediend en niet van het traject voorafgaand aan de aanvraag. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De voorzieningenrechter beperkt zijn toetsing van het besluit verder tot de vraag of het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het is aan het college om in de heroverweging in bezwaar te controleren of de (bouw)tekeningen bij de omgevingsvergunning volledig en consistent zijn. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich daar niet voor. Mocht blijken dat de geschakelde units in afwijking van de vergunning zijn geplaatst, dan is dat een kwestie van handhaving.

Omgevingsplanactiviteit

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag in strijd is met de bestemming ‘Verblijfsdoeleinden’ als bedoeld in het omgevingsplan van de gemeente De Bilt. Om die reden is een omgevingsvergunning nodig (op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet). Omdat het omgevingsplan geen afwijkingsmogelijkheid bevat, ziet de aanvraag op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voorwaarden voor vergunningverlening zijn dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat aan de instructieregels van het Rijk en de provincie wordt voldaan (artikelen 8.0a en 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Het college heeft de gevraagde tijdelijke vergunning verleend, omdat volgens het college sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De tijdelijkheid heeft het college geborgd in de voorschriften.

Onderbouwing en belangenafweging

Verzoekers voeren aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen juiste belangenafweging heeft gemaakt. De plaatsing en ingebruikname van de units leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van verzoekers als gevolg van een toename van geluid, verkeersdrukte en verlies van open ruimte en groen. Ook vrezen verzoekers voor een aantasting van hun privacy door inkijk in hun woningen/tuin. Verzoeker 1 voert verder nog aan dat sprake is van waardevermindering van zijn woning. Op de zitting heeft hij toegelicht dat zijn huis sinds 1,5 maand in de verkoop staat en dat potentiële kopers door het tijdelijke schoolgebouw tegenover de woning zijn afgehaakt.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de ‘onderbouwing BOPA’ bij de aanvraag en de ‘memo aanvaardbaarheid geluid tijdelijke voorziening’, welk stuk het college bij de beslissing op bezwaar zal betrekken, volgt dat bewoners aan de [straat 2] mogelijk iets meer geluid kunnen ervaren dan in de huidige situatie. Omdat het geluid uitsluitend overdag optreedt en past bij het karakter van een bassischool in een woonwijk in gemengd gebied, wordt de tijdelijke toename van de akoestische belasting als aanvaardbaar beschouwd. Ook wordt aan de richtafstand van 10 meter uit de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ voldaan. Voor parkeren volgt uit de onderbouwing dat gebruik wordt gemaakt van bestaande parkeervoorzieningen en dezelfde ontsluitingswegen als de huidige school, zodat geen significante veranderingen in verkeersstromen of de parkeersituatie optreden. De voorzieningenrechter volgt het college dat uit de rapportages niet is gebleken van belemmeringen voor de aspecten verkeer en geluid.

De voorzieningenrechter kan het college ook volgen dat het tijdelijke schoolgebouw, dat zich op enige afstand van woningen bevindt en in beginsel alleen overdag in gebruik is, niet leidt tot een zodanig onevenredige aantasting van de privacy dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat is geprobeerd om inkijk in de woningen van verzoekers te minimaliseren door de meeste ramen aan de achterkant van het schoolgebouw te plaatsen. Vergunninghouder is ook bereid om met verzoekers afspraken te maken, bijvoorbeeld dat de bovenverdieping na een bepaald tijdstip niet meer gebruikt wordt. Verder betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat verzoekers op de zitting hebben aangegeven dat de inkijk tijdens de zomermaanden naar verwachting minder zal zijn als gevolg van het feit dat de bomen op het plein dan vol in blad zijn.

Voor zover sprake zou zijn van tijdelijke waardevermindering van de woningen van verzoekers, geldt dat dit aspect geen onderdeel is van het beoordelingskader van de aanvraag om omgevingsvergunning. Voor een verzoek om schadevergoeding (nadeelcompensatie) kunnen verzoekers zich tot het college wenden.

Alternatieve locaties

Verzoekers voeren aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieven die meer geschikt zouden zijn. Tijdens de informatiebijeenkomst, in de ingediende zienswijze en op de zitting hebben verzoekers alternatieve locaties in Hollandsche Rading aangedragen en éénlaagse bebouwing op de vergunde locatie voorgesteld. Volgens verzoekers is de locatie aan de oost- en noordzijde van het huidige schoolgebouw en de locatie op en nabij de moestuin beter geschikt. Het college zou de aangedragen alternatieven niet serieus hebben onderzocht.

Als een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven volgens vaste rechtspraak van de Afdeling alleen leiden tot weigering van de vergunning als op voorhand al duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (ABRvS 3 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4621). Met de op de zitting gegeven toelichting is de voorzieningenrechter gebleken dat de door verzoekers voorgedragen alternatieven niet gelijkwaardig zijn. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat is gekozen voor twee bouwlagen, omdat het bouwplan anders had geleid tot het kappen van bomen op het voormalige speelterrein. Ook heeft vergunninghouder onderzocht of het open veld achter de tennisvereniging (op en nabij de moestuin) een geschikt alternatief is. Dit bleek niet zo te zijn omdat de provinciegrens daar loopt en de aanvraag in strijd is met het provinciale verstedelijkingsverbod. De optie om de units op het perceel van de huidige locatie van het (te slopen) schoolgebouw te plaatsen stuit volgens het college en vergunninghouder op bezwaren vanwege de veiligheid, omdat de bouwlocatie zich dan pal naast het tijdelijke schoolgebouw bevindt. De voorzieningenrechter volgt het college gelet op het bovenstaande dat geen alternatief is gevonden waarvan op voorhand duidelijk is dat dit tot aanmerkelijk minder bezwaren leidt.

Tussenconclusie kans van slagen van het bezwaar

De voorzieningenrechter ziet nu geen evidente fouten in de besluitvorming en schat de kans van slagen van het bezwaar van verzoekers daarom gering.

Belangenafweging

Mede op basis van die tussenconclusie, weegt de voorzieningenrechter de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen daarvan. De voorzieningenrechter vindt dat de belangen van vergunninghouder voor tijdelijke huisvesting van haar leerlingen en van het college om te zorgen voor voldoende onderwijsplekken belangrijker dan het belang van verzoekers die tijdelijk enige overlast zullen ervaren. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat er een dringende behoefte is om de noodlokalen zo snel mogelijk in gebruik te nemen. De luchtkwaliteit in het huidige te slopen schoolgebouw voldoet niet meer aan de gestelde eisen en nog langer blijven in de Martin Luther Kingschool in Maartensdijk (waar de leerlingen en personeel tijdelijk zijn opgevangen na de sluiting van het huidige schoolgebouw) is geen houdbare oplossing, vanwege te weinig ruimte en een verschillend onderwijsaanbod, wat heeft geleid tot veel stress onder het personeel.

De rechtbank is met de op zitting gegeven onderbouwing ook niet gebleken dat de duur van de vergunning te onbepaald zou zijn, op grond waarvan meer gewicht aan de belangen van verzoekers zou moeten worden toegekend. Na sloop van de huidige school denkt de aannemer ongeveer een jaar voor de bouw nodig te hebben. De benodigde onderzoeken zijn volgens vergunninghouder uitgevoerd en deze zijn goedgekeurd door het college, zodat vertraging niet te verwachten is.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Artikel delen