Op 5 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3588 deed de rechtbank Den Haag de inmiddels 94ste uitspraak over de BOPA. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schoolgebouw met kinderdagverblijf.

Enkele interessante overwegingen:
Het betoog van verzoekers dat het bouwplan tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt, levert evenmin grond op om het bestreden besluit te schorsen. Niet uit te sluiten is dat realisatie van het bouwplan zal leiden tot enige aantasting van de privacy van direct omwonenden. Verzoekers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van hun privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd moet worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk in de woning kan plaatsvinden. Gelet op de afstand tussen de ramen in het schoolgebouw en de omliggende woningen, heeft het college naar voorlopig oordeel mogen aannemen dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van verzoekers.
Over de gestelde aantasting van het uitzicht vanuit de woningen van verzoekers, overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak – zeker in een stedelijke omgeving – geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Hoewel duidelijk is dat het bouwplan tot een aantasting van het uitzicht zal leiden voor diverse omwonenden, heeft het college zich naar voorlopig oordeel onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt mogen stellen dat deze aantasting niet onaanvaardbaar is.
M.b.t. participatie: De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun betoog dat zij ten onrechte onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van het bouwplan, terwijl dit wel een vereiste is onder de Omgevingswet. Uit het dossier blijkt dat het college op diverse manieren en momenten contact heeft gehad met omwonenden over het bouwplan. Niet in geschil is dat deze contacten ook hebben geleid tot aanpassing van het bouwplan, bijvoorbeeld bij de uitwerking van de westgevel van het nieuwe schoolgebouw. Dat ook na deze aanpassingen geen sprake is van een voor verzoekers aanvaardbaar bouwplan, wil niet zeggen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het ontbreken van voldoende draagvlak voor het bouwplan bij omwonenden, betekent niet dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Wat verzoekers hebben aangevoerd over de wijze van totstandkoming van de omgevingsvergunning, geeft daarom geen aanleiding tot schorsing van het bestreden besluit.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schoolgebouw met kinderdagverblijf op het perceel [adres 1] in [plaats]. Verzoekers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning en willen dat deze wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan in de beroepsprocedure.
Feiten en omstandigheden
Het perceel aan de [adres 1] in [plaats] bevindt zich in een woonwijk. Verzoekers zijn omwonenden van dit perceel. Op het perceel staat momenteel een schoolgebouw. Vergunninghoudster is voornemens dit schoolgebouw te vervangen door een nieuw te bouwen schoolgebouw, dat inclusief kinderdagverblijf aan de bestaande gymzaal zal worden gebouwd. De grootste verandering zal zijn dat er een tweede bouwlaag wordt gebouwd, terwijl het huidige schoolgebouw slechts één bouwlaag heeft.
De omgevingsvergunning ziet op het verrichten van een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ en een ‘technische bouwactiviteit’. (als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet). De omgevingsvergunning is verleend voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’, omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende “Omgevingsplan gemeente Noordwijk”. Het bouwplan is deels buiten het bouwvlak voorzien en overschrijdt de maximaal toegestane bouwhoogte. Verzoekers maken zich zorgen over de effecten van het bouwplan op hun woon- en leefomgeving en hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Mocht worden afgeweken van het omgevingsplan?
Ter plaatse geldt het “Omgevingsplan gemeente Noordwijk”. Het voorheen geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” maakt deel uit van tijdelijk deel van dit omgevingsplan. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben – voor zover hier van belang – de functie “Maatschappelijk”.
Niet in geschil is dat de functie “Maatschappelijk” de realisatie van een schoolgebouw op deze locatie toestaat. Verder staat vast dat het bouwplan op een aantal punten in strijd is met de bouwregels van het omgevingsplan. Zo overschrijdt het bouwplan de maximaal toegestane bouwhoogte van 4 meter, nu het schoolgebouw door de toevoeging van de tweede bouwlaag in hoogte varieert van 8 tot en met 9,8 meter. Daarnaast wordt een berging buiten het bouwvlak gerealiseerd en is op het voorterrein een fietsenstalling met ruimte voor een container voorzien.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De voorzieningenrechter zal beoordelen of het college zich naar voorlopig oordeel in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van het nieuwe schoolgebouw voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter zal dit doen aan de hand van de door verzoekers aangedragen gronden.
Massaliteit van het bouwplan
Verzoekers betogen dat het vergunde schoolgebouw veel groter is dan de huidige bebouwing op het perceel en dat de massaliteit hiervan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefomgeving. Hiertoe voeren verzoekers aan dat het bouwplan niet past binnen de omgeving en het woonstraatprofiel. Verzoekers betrekken hierbij ook de voorgenomen herontwikkeling en vergroting van het zogenoemde DPO-gebouw dat naast het schoolgebouw ligt. De vergroting van de bebouwing op deze twee percelen heeft volgens verzoekers een te grote impact op de wijk. Ter zitting hebben verzoekers verder betoogd dat het bouwplan tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt en het uitzicht vanuit hun woningen en de bezonning in hun tuinen ontoelaatbaar aantast.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit betoog. De voorzieningenrechter begrijpt dat het bouwplan tot een ingrijpende verandering van de wijk leidt en gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van verzoekers. Het college heeft deze gevolgen van het bouwplan aanvaardbaar geacht. Volgens het college blijft, ondanks de toename van het bebouwd oppervlak van 1495 m2 naar 1795 m2, dankzij de aanwezigheid van het schoolplein sprake van voldoende afstand en een duidelijke ruimtelijke buffer tussen het schoolgebouw en de directe omgeving. Daarbij heeft het college meegewogen dat de zijgevels van het schoolgebouw juist meer worden teruggelegd, waardoor de afstand tot de naastgelegen panden toeneemt ten opzichte van de huidige situatie en het nieuwe schoolgebouw bijdraagt aan een grotere mate van openheid en lucht in de omgeving. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college verwezen naar diverse onderzoeken die deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning. De effecten van het bouwplan zijn onder meer in kaart gebracht in een door [adviesbureau 1] opgestelde ruimtelijke onderbouwing, een welstandsadvies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en een door bouwadviesbureau ZRi uitgevoerde daglichtanalyse met betrekking tot de woning aan de [adres 2]. Uit deze stukken komt naar voren dat het bouwplan aansluit op de bestaande stedelijke structuur, nu vrijwel alle omliggende bebouwing, waaronder het DPO-gebouw, uit ten minste twee bouwlagen bestaat. Verder wordt hierin toegelicht dat de toepassing van natuurlijke materialen en een groene inpassing bijdragen aan een kwalitatieve versterking van de ruimtelijke omgeving. Uit het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit van 18 december 2024 volgt dat het nieuwe schoolgebouw voldoet aan de welstandsnota van de gemeente Noordwijk. In de daglichtanalyse met betrekking tot de meest nabijgelegen woning aan de [adres 2] wordt geconcludeerd dat het bouwplan een beperkte invloed heeft op de daglichttoetreding in deze woning.
Verzoekers hebben weliswaar duidelijk gemaakt dat zij het niet eens zijn met de afwegingen die het college heeft gemaakt, maar zij hebben hun standpunten hierover niet met concrete gegevens onderbouwd. Ook hebben zij geen advies van een deskundige overgelegd waarmee twijfel wordt gezaaid over de juistheid van de ruimtelijke onderbouwing, het welstandsadvies en de uitgevoerde daglichtanalyse. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college deze documenten daarom ten grondslag mogen leggen aan de verleende omgevingsvergunning.
Het betoog van verzoekers dat het bouwplan tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt, levert evenmin grond op om het bestreden besluit te schorsen. Niet uit te sluiten is dat realisatie van het bouwplan zal leiden tot enige aantasting van de privacy van direct omwonenden. Verzoekers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van hun privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd moet worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk in de woning kan plaatsvinden (ABRvS 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285). Gelet op de afstand tussen de ramen in het schoolgebouw en de omliggende woningen, heeft het college naar voorlopig oordeel mogen aannemen dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van verzoekers.
Over de gestelde aantasting van het uitzicht vanuit de woningen van verzoekers, overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak – zeker in een stedelijke omgeving – geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat (ABRvS 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598). Hoewel duidelijk is dat het bouwplan tot een aantasting van het uitzicht zal leiden voor diverse omwonenden, heeft het college zich naar voorlopig oordeel onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt mogen stellen dat deze aantasting niet onaanvaardbaar is.
Voor zover verzoekers betogen dat het bouwplan onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning van hun percelen met zich meebrengt, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze gevolgen zijn onderzocht en dat is gebleken dat het effect van het bouwplan op de bezonning van omliggende percelen beperkt is. De voorzieningenrechter ziet, gelet ook op de afstand tussen het schoolgebouw en de woningen van verzoekers en bij gebrek aan een nadere onderbouwing van het betoog van verzoekers, voorshands geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het college.
Parkeren
Het college stelt zich, onder verwijzing naar een door [adviesbureau 2] opgesteld haalbaarheidsonderzoek, op het standpunt dat voor het huidige schoolgebouw 15 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit aantal parkeerplaatsen is berekend op basis van het aantal leslokalen, de gymzaal en het kinderdagverblijf. Het college is er hierbij van uit gegaan dat het huidige schoolgebouw bestaat uit 7 leslokalen en een gymzaal en dat er 3 tijdelijke leslokalen en een kinderdagverblijf aanwezig zijn in het naastgelegen DPO-gebouw. Het college heeft de parkeerplaatsen die horen bij deze tijdelijke leslokalen en het kinderdagverblijf in het DPO-gebouw, toegerekend aan de parkeerbehoefte van het huidige schoolgebouw.
Na realisatie van het nieuwe schoolgebouw bestaat volgens het college behoefte aan 19 parkeerplaatsen. Het college heeft hiertoe aangenomen dat het nieuwe schoolgebouw plaats biedt aan vijf extra lokalen en dat per lokaal 0,75 parkeerplaats moet worden gerealiseerd. Dat betekent volgens het college dat voor realisatie van het nieuwe schoolgebouw voorzien moet worden in (19-15 =) 4 nieuwe parkeerplaatsen.
Verzoekers zijn het niet eens met deze berekening van het college. Zij voeren aan dat het college de parkeerplaatsen die horen bij de tijdelijke leslokalen en het kinderdagverblijf in het DPO-gebouw, ten onrechte heeft toegerekend aan het huidige schoolgebouw. Deze parkeerplaatsen mogen volgens verzoekers niet in mindering worden gebracht op de parkeerbehoefte van het nieuwe schoolgebouw. Dat betekent volgens verzoekers dat bij realisatie van het nieuwe schoolgebouw voorzien moet worden in 9 nieuwe parkeerplaatsen, in plaats van de 4 parkeerplaatsen waarvan het college is uitgegaan.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter biedt wat verzoekers hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college de parkeerplaatsen die horen bij de tijdelijke leslokalen en het kinderdagverblijf in het DPO-gebouw ten onrechte heeft toegerekend aan het gebruik van het schoolgebouw. Weliswaar gaat het om functies in een gebouw dat naast het huidige schoolgebouw ligt, maar niet in geschil is dat de tijdelijke leslokalen en het kinderdagverblijf behoren tot de schoolfunctie van het huidige schoolgebouw en dat het de bedoeling is dat zij worden ondergebracht in het vergunde nieuwe schoolgebouw. De keuze die het college heeft gemaakt om de parkeerplaatsen die horen bij de tijdelijke leslokalen en het kinderdagverblijf, in mindering te brengen op de parkeervraag van het nieuw schoolgebouw, is naar voorlopig oordeel dan ook toelaatbaar.
Ter zitting is gebleken dat onduidelijkheid bestaat over het aantal leslokalen in het huidige schoolgebouw. Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat in het huidige schoolgebouw – inclusief het DPO-gebouw – meer leslokalen aanwezig zijn dan de 10 leslokalen waarvan het college is uit gegaan. Hierbij is wel de kanttekening gemaakt dat de leslokalen niet altijd tegelijk in gebruik zijn. Gelet op deze onduidelijkheid over het aantal leslokalen in de bestaande situatie, kan de voorzieningenrechter niet met zekerheid vaststellen dat het college bij het berekenen van de parkeerbehoefte de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit een onderwerp dat in de bodemprocedure nader beoordeeld zal moeten worden. Deze onduidelijkheid over de parkeersituatie geeft echter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat verzoekers niet worden benadeeld als mocht blijken dat het college is uitgegaan van een te laag aantal leslokalen in de huidige situatie. Het gevolg hiervan zou immers zijn dat het college juist minder parkeerplaatsen in mindering heeft gebracht op het aantal benodigde parkeerplaatsen in de nieuwe situatie dan wanneer van een groter aantal leslokalen in de huidige situatie zou zijn uitgegaan. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekers gestelde parkeeroverlast een onvoldoende zwaarwegend belang oplevert om nu tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan. Het aantal extra parkeerplaatsen dat volgens verzoekers gerealiseerd moet worden is beperkt, zodat niet aannemelijk is dat zonder deze extra parkeerplaatsen sprake zal zijn van een zodanig overlast gevende situatie dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter neemt hierbij nog in aanmerking dat de gestelde parkeeroverlast zich pas zal gaan voordoen als het nieuwe schoolgebouw in gebruik wordt genomen en dat ter zitting is gebleken dat vooralsnog op het parkeerterrein bij het DPO-gebouw voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is om de gestelde toename van de parkeerdruk op te vangen.
Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat twee zogenoemde Kiss & Ride parkeerplaatsen en één invalideparkeerplaats nog niet als zodanig zijn aangeduid met bebording, overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen aanleiding geeft om het bestreden besluit te schorsen. Het college heeft toegezegd dat deze parkeerplaatsen alsnog van de juiste bebording voorzien zullen worden en heeft hiertoe een voorschrift aan het bestreden besluit verbonden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee voldoende tegemoetgekomen aan verzoekers.
Verkeersveiligheid
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun betoog dat het college heeft miskend dat in de huidige situatie sprake is van een verkeersonveilige situatie in de wijk en dat het bouwplan deze situatie verder zal verslechteren. Het college heeft met verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en het door [adviesbureau 2] opgestelde haalbaarheidsonderzoek het standpunt ingenomen dat momenteel geen sprake is van een verkeersonveilige situatie. Wat verzoekers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. Dit geldt evenzeer voor het standpunt van het college dat de verkeerssituatie als gevolg van de ingebruikname van het nieuwe schoolgebouw niet wezenlijk zal veranderen, nu het aantal leerlingen – en daarmee het aantal verkeersbewegingen van en naar de school – gelijk blijft. Verzoekers hebben weliswaar twijfels geuit over dit standpunt van het college, maar hun betoog niet nader onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Het betoog van verzoekers slaagt niet.
Advies van de gemeenteraad
Verzoekers betogen dat het college de gemeenteraad om advies had moeten vragen alvorens de omgevingsvergunning te verlenen. Zij voeren aan dat sprake is van een geval waarin een adviesrecht voor de gemeenteraad geldt, nu het gaat om een ingrijpend bouwplan waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan en waarbij sprake is van het vestigen van een voorziening voor educatieve doeleinden.
Uit artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet volgt dat de gemeenteraad in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen in de door hem aangewezen gevallen over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De gemeenteraad van Noordwijk heeft de ‘Adviesrechtlijst gemeente Noordwijk’ vastgesteld. Deze lijst bevat de gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de gemeenteraad als adviseur in de zin van artikel 16.15, eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet wordt aangewezen. Onder punt 4 van deze lijst is het volgende bepaald:
Overige voorzieningen
a. Het vestigen van een voorziening voor educatieve, sociale, medische, culturele, levensbeschouwelijke, sport, recreatieve doeleinden, binnen bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde visie of beleidskader mits daarin een concreet toetsingskader in is opgenomen.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat in dit geval geen sprake is van het vestigen van een educatieve voorziening in de hier bedoelde zin, nu het gaat om het vervangen van een reeds aanwezig schoolgebouw waarbij het aantal leerlingen in de nieuwe situatie gelijk blijft. Het college was daarom niet verplicht de gemeenteraad om advies te vragen alvorens de omgevingsvergunning te verlenen.
Participatie
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun betoog dat zij ten onrechte onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van het bouwplan, terwijl dit wel een vereiste is onder de Omgevingswet.
Uit het dossier blijkt dat het college op diverse manieren en momenten contact heeft gehad met omwonenden over het bouwplan. Niet in geschil is dat deze contacten ook hebben geleid tot aanpassing van het bouwplan, bijvoorbeeld bij de uitwerking van de westgevel van het nieuwe schoolgebouw. Dat ook na deze aanpassingen geen sprake is van een voor verzoekers aanvaardbaar bouwplan, wil niet zeggen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het ontbreken van voldoende draagvlak voor het bouwplan bij omwonenden, betekent niet dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Wat verzoekers hebben aangevoerd over de wijze van totstandkoming van de omgevingsvergunning, geeft daarom geen aanleiding tot schorsing van het bestreden besluit.
Buitenterrein
Voor zover verzoekers aanvoeren dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van het gebruik van het buitenterrein bij het schoolgebouw, overweegt de voorzieningenrechter dat de inrichting en het gebruik van dit terrein geen onderdeel zijn van de verleende omgevingsvergunning. Reeds daarom slaagt dit betoog niet.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat het bestreden besluit in de beroepsprocedure in stand zal kunnen blijven.