Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

96ste uitspraak bopa! o.a. constructieve veiligheid bij de bopa-onderbouwing, aantasting woongenot

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7609 de inmiddels 96ste uitspraak gedaan over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).Deze uitspraak gaat over het besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend aan de vergunninghouder voor het in afwijking van het omgevingsplan verduurzamen en het uitbreiden aan de achterzijde van de woning.

6 March 2026

Verzoeker voert aan dat dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen alvorens er duidelijkheid bestaat over de constructieve veiligheid van het bouwplan. Zijn woning en die van vergunninghouder staan namelijk tegen elkaar aan en delen een gemeenschappelijke fundering of bouwmuur. Het college heeft in het verweerschrift uitgelegd dat de gemeentelijke constructeur de controleberekening van de constructeur van vergunninghouder heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de fundering het gewicht van de uitbouw kan dragen. Verzoeker heeft voor zijn stelling dat niet aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen argumenten aangedragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, als er op dit punt al een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Hierin is daarom geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de woning met het oog op ETFAL niet onaanvaardbaar is. In de omgeving van de woning zijn al meer aanbouwen met een verdieping gerealiseerd. Verder heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat gelet op de ligging van verzoekers woning aan de zuidkant van de woning van vergunninghouder, van de beweerde schaduwwerking als gevolg van de uitbreiding niet of nauwelijks sprake zal zijn. Van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoeker is geen sprake. Ook op dit punt geldt dat een eventueel gebrek, bijvoorbeeld in de motivering, in de bezwaarfase kan worden hersteld. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de uitbouw van de woning op de begane grond (geheel of voor een belangrijk deel) ook zonder vereiste van een omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd. Dus ook hierin is geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Deze uitspraak gaat over het besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend aan de vergunninghouder voor het in afwijking van het omgevingsplan verduurzamen en het uitbreiden aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] . Het gaat om een uitbreiding op de begane grond en de eerste verdieping van de woning. Verzoeker is de buurman van vergunninghouder en woont op het adres [adres 2].

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de uitbouw over twee bouwlagen in strijd is met het Omgevingsplan Hilversum. Het college heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college kan deze vergunning alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Verzoeker voert aan dat dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen alvorens er duidelijkheid bestaat over de constructieve veiligheid van het bouwplan. Zijn woning en die van vergunninghouder staan namelijk tegen elkaar aan en delen een gemeenschappelijke fundering of bouwmuur.

Het college heeft in het verweerschrift uitgelegd dat de gemeentelijke constructeur de controleberekening van de constructeur van vergunninghouder heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de fundering het gewicht van de uitbouw kan dragen. Verzoeker heeft voor zijn stelling dat niet aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen argumenten aangedragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, als er op dit punt al een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Hierin is daarom geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen.

Verzoeker voert verder aan dat het bouwplan leidt tot aantasting van zijn woongenot door verlies van uitzicht, vermindering van privacy en toename van schaduw in zijn tuin. De uitbouw bestaat uit twee verdiepingen, komt verder naar achteren en daardoor buiten het bouwvlak.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de woning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet onaanvaardbaar is. In de omgeving van de woning zijn al meer aanbouwen met een verdieping gerealiseerd. Verder heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat gelet op de ligging van verzoekers woning aan de zuidkant van de woning van vergunninghouder, van de beweerde schaduwwerking als gevolg van de uitbreiding niet of nauwelijks sprake zal zijn. Van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoeker is geen sprake. Ook op dit punt geldt dat een eventueel gebrek, bijvoorbeeld in de motivering, in de bezwaarfase kan worden hersteld. Verder is er geen aanleiding te veronderstellen dat er door de bouw gevolgen zullen zijn die niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de uitbouw van de woning op de begane grond (geheel of voor een belangrijk deel) ook zonder vereiste van een omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd. Dus ook hierin is geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen.

Belangenafweging

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat aan het bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat de verleende omgevingsvergunning geen stand zal kunnen houden in bezwaar. Tegen die achtergrond weegt de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder bij het kunnen uitvoeren van de omgevingsvergunning zwaarder dan het belang van verzoeker. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de belangen van verzoeker niet zo zwaar wegen dat onverwijlde spoed het nodig maakt om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Artikel delen