De AbRvS oordeelt in deze tussenuitspraak van 1 april 2026 dat het college van B&W van Valkenburg aan de Geul ten onrechte heeft geweigerd om planschade en nadeelcompensatie te verstrekken aan een HEMA-exploitant en de eigenaar van het pand. De uitspraak is met name relevant voor de toepassing van actieve risicoaanvaarding bij bedrijfsstructureringen binnen een familieverband.
De Afdeling stelt vast dat de exploitatie is verkregen via een bedrijfsfusie (overdracht onder bijzondere titel). De eigendom van het pand is verkregen via een zuivere juridische splitsing (overdracht onder algemene titel).
Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij overdracht onder bijzondere titel in beginsel sprake is van actieve risicoaanvaarding indien de nadelige ontwikkeling ten tijde van de overdracht voorzienbaar was. Op dit uitgangspunt kan echter een uitzondering worden gemaakt indien bijzondere omstandigheden meebrengen dat het risico niet daadwerkelijk in de koopprijs kon worden verdisconteerd.
De Afdeling oordeelt dat daarvan in dit geval sprake is. Gelet op de nauwe verwevenheid binnen de familie en de feitelijke continuïteit van zeggenschap, bestond voor de opvolgende exploitant geen reële mogelijkheid om het risico op betekenisvolle wijze in de transactiewaarde te verdisconteren. Daarom kan geen actieve risicoaanvaarding worden tegengeworpen.
Ten aanzien van de eigenaar geldt dat de verkrijging heeft plaatsgevonden onder algemene titel via een zuivere splitsing. In dat geval kan de hoofdregel die geldt bij de overdracht onder bijzondere titel niet worden toegepast, ongeacht eventuele keuzemomenten rond de herstructurering. De Afdeling draagt het college op de gebreken in het besluit te herstellen en een nieuw besluit te nemen.
AbRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1844