ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1330. [appellante] verzet zich tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van het rookkanaal. Volgens haar heeft het college [partij] ten onrechte de gelegenheid geboden om alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen nadat was gebleken dat het rookkanaal zonder omgevingsvergunning was gerealiseerd. De gevraagde omgevingsvergunning is volgens [appellante] ten onrechte verleend, zodat het college niet had mogen afzien van handhavend optreden tegen het bouwen van het rookkanaal.

Het college heeft terecht onderzocht of concreet zicht op legalisatie bestond voordat het een besluit over handhavend optreden nam. Uit de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college daartoe was gehouden. Het college mocht [partij] in dat verband in de gelegenheid stellen om alsnog een omgevingsvergunning voor het rookkanaal aan te vragen, voordat het college op het verzoek om handhaving besliste.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van het rookkanaal op 25 maart 2022 verleend. Deze omgevingsvergunning gold toen het college op het bezwaar van [appellante] besliste en in heroverweging bleef bij de weigering om handhavend op te treden. Dat [appellante] toen al tegen deze omgevingsvergunning was opgekomen, tastte de gelding van de omgevingsvergunning op dat moment niet aan.
Het bouwen van het rookkanaal was dus gelegaliseerd toen het college op het bezwaar besliste en leverde geen overtreding meer op waartegen het college handhavend kon optreden.
Uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 202305803/1/R1 (ECLI:NL:RVS:2026:1329) volgt overigens dat de omgevingsvergunning in stand blijft en onherroepelijk is geworden.