ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1390 . Het college heeft aan [appellant B] een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat [appellant B] de bouwwerkzaamheden op het perceel moet staken en gestaakt moet houden.

Het college heeft het door [appellant A] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het door [appellant A] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het belang dat [appellant A] naar voren brengt als reden waarom zij, ook los van [appellant B], zelf bezwaar kon maken, is kortgezegd dat het precies op het moment van de bouwstop bezig was beton te gieten, dat die klus dus halverwege gestaakt is, zodat later het al aangebrachte beton weer moest worden verwijderd. De extra kosten hiervan kan het bedrijf niet verhalen op [appellant B]. In het verlengde daarvan stelt het bedrijf dat door de bouwstop de bouw wekenlang heeft stil gelegen.
De conclusies van het college en de rechtbank komen hierop neer dat de last onder bestuursdwang niet was gericht aan het bouwbedrijf [appellant A] maar alleen aan [appellant B]. Het bouwbedrijf heeft daarom een afgeleid belang, via de contractuele relatie met [appellant B]. Die argumentatie is juist.
De vraag is dus of naast dat afgeleide belang, [appellant A] ook een direct belang heeft. Als dat zo is, mocht zij zelf, ook los van [appellant B], rechtsbescherming inroepen tegen de last onder bestuursdwang. De extra kosten die het bouwbedrijf heeft moeten maken omdat, kort gezegd, het betonstorten nog maar halverwege was, scheppen geen eigen belang. Of die kosten voor rekening komen van het bouwbedrijf of van [appellant B] is nu juist iets wat in de contractuele relatie tussen hen beiden zit. Dat de bouw wekenlang heeft stilgelegen maakt ook niet dat het bouwbedrijf een eigen belang heeft.
Dat [appellant B] door de signalen van het college rondom de stillegging onrust beleefde en mogelijk twijfelde aan de vakkundigheid van het bouwbedrijf, schept ook geen eigen belang. Ook dit zit tenslotte in die contractuele relatie. De Afdeling laat hierbij trouwens in het midden of die onrust en twijfel een gevolg waren van het besluit en niet van bijvoorbeeld mondelinge uitspraken van de bouwinspecteur.
De bestuursrechter moet vanzelfsprekend zo veel mogelijk voorkomen dat zijn oordelen ‘onbegrijpelijk en onverklaard’ zijn, maar het procesrecht stelt wel grenzen aan wat mogelijk is. Een partij als belanghebbende aanmerken alleen omdat dat op meer begrip van die partij kan rekenen, is geen reden om zo’n procesrechtelijke grens opzij te zetten. Het college en de rb. hebben dus terecht geconcludeerd dat [appellant A] geen belanghebbende is.