Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Arbeidsmigranten huisvesten op enkele meters van een bedrijfsperceel uit milieucategorie 4.2 een onmogelijke opgave De Afdeling oordeelt van niet.

Migratie blijft een hot topic in het publieke debat. Zo ook het vraagstuk omtrent het huisvesten van arbeidsmigranten. Gemeenten zien geen heil in de huisvesting van arbeidsmigranten in stads- en dorpskernen, terwijl provincies willen voorkomen dat in de buitengebieden wordt gebouwd. Gemeentebesturen zoeken daarom vaak een uitweg op bedrijventerreinen. Dit leidt echter onvermijdelijk tot de vraag of ter plaatse sprake is van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (of onder het oude recht de ‘goede ruimtelijke ordening’).

Christiaan Geertman en Martijn Fleers 30 January 2026

Meer specifiek leidt de huisvesting van arbeidsmigranten tot een botsing van belangen ten aanzien van geluid. Enerzijds hebben de aanwezige bedrijven op een dergelijk bedrijventerrein op grond van vaste jurisprudentie het recht om niet belemmerd te worden in hun bedrijfsvoering. Anderzijds hebben de arbeidsmigranten recht op een goed woon- en leefklimaat. Huisvesting van arbeidsmigranten vergt daarom maatwerk, maar is in veel gevallen niet onmogelijk, zelfs op een bedrijventerrein waarop relatief zware bedrijvigheid is toegestaan. Zo wordt ook geïllustreerd in een uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026, waarin werd geoordeeld dat sprake was van een goede ruimtelijke ordening, ondanks de aanwezigheid van bedrijfspercelen met milieucategorie 4.2 op enkele meters van de gevel van de vergunde logiesgebouwen.[1]

Wat was er aan de hand?

Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) aan de initiatiefnemer een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo voor de realisatie van migrantenhuisvesting op een perceel in Roosendaal, bestemd voor de huisvesting van 300 arbeidsmigranten. De vergunning maakt, kort gezegd, de bouw van twee logiesgebouwen mogelijk op het bedrijventerrein Majoppeveld in Roosendaal. De initiatiefnemer van het project werd bijgestaan door Martijn Fleers en Christiaan Geertman, beide werkzaam als advocaat bij FDJ Advocaten.

Tegen deze omgevingsvergunning is door enkele nabijgelegen bedrijven en een omwonende hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Zij stelden dat de omliggende bedrijfsactiviteiten geluidsoverlast veroorzaken, waardoor geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten kan worden gegarandeerd. Daarnaast vreesden zij dat de huisvesting van arbeidsmigranten zou leiden tot beperkingen in hun bedrijfsvoering.

De Afdeling heeft de bezwaren uiteindelijk ongegrond verklaard. Naar haar oordeel kan met de verleende omgevingsvergunning een aanvaardbaar woonklimaat voor de arbeidsmigranten worden gewaarborgd en hoeven de betrokken bedrijven niet te vrezen voor belemmeringen in hun bedrijfsactiviteiten, ondanks dat de logiesgebouwen op zeer korte afstand van de bedrijfspercelen gerealiseerd zullen worden.

Juridisch kader

Huisvesting van arbeidsmigranten op bedrijventerreinen vindt veelal plaats op percelen met een bedrijfsbestemming. Dit betekent dat voor de huisvesting van arbeidsmigranten vaak een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) vereist is. Onder het oude recht, zoals van toepassing in de onderhavige uitspraak, betreft dit een omgevingsvergunning op de voet van artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo.

Om een dergelijke omgevingsvergunning te verkrijgen, dient de initiatiefnemer aan te tonen dat sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’[2], of onder het oude recht ‘goede ruimtelijke ordening’[3]. Nu de uitspraak is gewezen onder het oude recht, wordt hieronder nader op dat recht ingegaan. Naar verwachting kan de uitspraak evenwel ook richtinggevend zijn voor de realisatie van vergelijkbare projecten onder de vigeur van de Omgevingswet.

Onder het oude recht werd bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan een bedrijfsperceel een milieucategorie toegekend overeenkomstig de systematiek van de VNG-brochure. Naarmate een hogere milieucategorie wordt toegestaan, zijn ter plaatse zwaardere bedrijfsactiviteiten mogelijk. Bij milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 0 respectievelijk 10 meter, afhankelijk van de vraag of sprake is van een gemengd gebied of een rustige woonwijk. Indien een bestemmingsplan – zoals in het onderhavige geval – milieucategorie 4.2 toestaat, dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 200 dan wel 400 meter.

Dit betekent dat indien een woning op meer dan 200 respectievelijk 400 meter afstand van het bedrijfsperceel wordt gerealiseerd, er sprake is van een goede ruimtelijke ordening: als aan deze richtafstand wordt voldaan, kan in beginsel ervan worden uitgegaan dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien de relevante richtafstand uit de VNG-brochure wordt aangehouden behoeft het gemeentebestuur in beginsel immers geen verdere toetsing voor wat betreft geluid te verrichten.[4]

De richtafstanden zijn echter indicatief. Dit betekent dat van de richtafstanden – voorzien van gedegen onderzoek en goed gemotiveerd – kan worden afgeweken, zodat een kortere afstand kan worden gehanteerd.[5] Uitgangspunt bij dergelijk onderzoek is dat uit moet worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden, dat wil zeggen dat uit moet worden gegaan van de zwaarst mogelijke bedrijvigheid die ter plaatse is toegestaan. Het feit dat ter plaatse feitelijk een lichter bedrijf is gevestigd, doet niet ter zake.[6] Via een akoestisch onderzoek dient in voorkomende gevallen te worden aangetoond dat wettelijke geluidsnormen, als gevolg van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven, niet overschreden worden in de te realiseren woning. Deze geluidsnormen waren onder het oude recht opgenomen in het Activiteitenbesluit.

Indien de huisvesting niet bestaat uit woningen, maar kan worden aangemerkt als ‘logies’, gelden de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit niet rechtstreeks. Dit betekent echter niet dat arbeidsmigranten ‘vogelvrij’ zijn indien zij gehuisvest worden in logiesgebouwen: bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een logiesgebouw moet namelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk worden gemaakt dat de mensen die ter plaatse verblijven een goed woon- en leefklimaat hebben, ondanks dat zij zich niet direct kunnen beroepen op geluidsnormen.[7] In dat kader wordt dezelfde systematiek gehanteerd zoals hierboven beschreven. Eerst wordt gekeken of voldaan wordt aan de richtafstanden. Zo nee, dan moet onderzocht worden of de geluidsnormen niet worden overschreden. Er geldt echter wel één verschil: indien sprake is van logies, wordt in de rechtspraak soepeler met de wettelijke regels omgegaan, zo illustreert ook de onderhavige uitspraak. Daarover het volgende.

De uitspraak van 21 januari 2026

In de onderhavige uitspraak oordeelde de Afdeling dat de wijze waarop de arbeidsmigranten gehuisvest worden kwalificeert als ‘logies’ en niet als ‘wonen’. Kortheidshalve verwijzen wij hiervoor naar rechtsoverweging 4 en 4.1.

Ondanks dat sprake is van logies diende – zoals hierboven beschreven – inzichtelijk te worden gemaakt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De situatie in de onderhavige uitspraak was als volgt:

Figuur 1. Paars: de percelen van de twee bedrijven; Rood: de percelen waarop de logiesgebouwen worden gerealiseerd; Groen: de bestaande bedrijfswoning. De nummers van de percelen en de straatnamen zijn geanonimiseerd.

De twee beoogde logiesgebouwen van de arbeidsmigranten bestaan uit vier blokken, genummerd met 1 tot en met 4, op de met rood gemarkeerde percelen. Daarnaast was ter plaatse op een van deze voornoemde percelen reeds een bedrijfswoning aanwezig, zoals met groen gemarkeerd. Deze bedrijfswoning was gelieerd aan het bedrijf dat vroeger werd ontplooid op de met rood gemarkeerde percelen.

Tegen de omgevingsvergunning was onder meer hoger beroep ingesteld door bedrijf X en Y, zoals met paars weergegeven. De percelen van deze bedrijven beschikten over een bedrijfsbestemming uit milieucategorie 4.2. In de bestaande situatie kwalificeerde beide bedrijven feitelijk echter als bedrijven uit milieucategorie 3.2.

Zoals te zien op de afbeelding, bedraagt de afstand van de beoogde logiesgebouwen slechts enkele meters tot de perceelsgrens met bedrijf X en Y, terwijl uitgaande van de maximale richtafstand van milieucategorie 4.2 een afstand van minimaal 200 meter vereist is (uitgaande van gemengd gebied).

Dit betekent dat nader akoestisch onderzoek vereist was waarbij werd uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden (op basis van milieucategorie 4.2). Vrijwel onmiddellijk bleek dat het onhaalbaar was om met akoestische maatregelen, uitgaande van geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, in de beoogde gebouwen een acceptabel binnenklimaat van 35 dB (A) langtijdgemiddelde te garanderen. Door toepassing van twee inventieve oplossingen kon worden aangetoond dat desalniettemin sprake was van een goede ruimtelijke ordening.

Oplossing 1: een ruimere geluidsnorm voor het binnenklimaat

In de eerste plaats oordeelde de Afdeling dat het in dit geval aanvaardbaar is om ter plaatse een hoger geluidsniveau toe te staan. Het college had daarbij afdoende onderbouwd dat sprake was van ‘logies’ en niet van ‘wonen’. Om die reden kon het college, mede gelet op de hem toekomende beleidsruimte, zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het aanvaardbare geluidsniveau binnen de logiesgebouwen mocht worden vastgesteld op een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A) als etmaalwaarde, in plaats van de gebruikelijke grenswaarde van 35 dB(A). Hieruit volgt dat voor logiesfuncties ruimere geluidsnormen voor het binnenniveau kunnen worden gehanteerd.

Oplossing 2: de bestaande bedrijfswoning als maatgevende factor

Ten tweede accordeerde de Afdeling het standpunt dat de bestaande bedrijfswoning de bedrijven in de bestaande situatie reeds (gedeeltelijk) beperkt in hun bedrijfsvoering. Een bedrijfswoning is namelijk een geluidsgevoelig object.[8]

Uit vaste jurisprudentie volgt dat een kortere afstand dan de richtafstand mag worden aangehouden als tussen de bedrijfspercelen en voorziene gebouwen al woningen staan.[9] In dat geval moet immers worden geoordeeld dat het desbetreffende bedrijf op de gevel van de bestaande woningen al moet voldoen aan de geldende geluidgrenswaarden. De geluidsruimte van de bedrijven wordt dan reeds beperkt door die bestaande woningen, waardoor het aanvaardbaar is om nieuwe gebouwen (zij het logies of woningen) te realiseren die verder van het bedrijf af gelegen zijn dan de bestaande woningen.

Zoals te zien op de afbeelding waren de voorziene logiesgebouwen in het onderhavige geval echter dichter op de bedrijven voorzien dan de bestaande bedrijfswoning. Niettemin laat dit naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat bedrijf X en Y in de bestaande situatie reeds belemmerd werden in hun bedrijfsvoering door deze bedrijfswoning: deze bestaande bedrijfswoning is immers maatgevend voor de geluidsruimte van deze bedrijven in de bestaande situatie. De bedrijfswoning mag daarom als vertrekpunt worden gehanteerd bij het inzichtelijk maken van de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende bedrijven.

Aan de hand van de aanwezige bedrijfswoning is vervolgens berekend hoe hoog de maximale bronvermogens op de bedrijfspercelen van perceel X en Y zouden mogen zijn zonder de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit op de gevel van de bedrijfswoning te overschrijden. Deze maximale bronvermogens zijn vervolgens als uitgangspunt genomen en geprojecteerd op de te realiseren logiesgebouwen. Op basis daarvan kon worden bepaald welke akoestische maatregelen noodzakelijk zijn om binnen de logiesgebouwen een aanvaardbaar binnenklimaat te realiseren met een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A).

De gedachte achter deze benadering is dat de bedrijfsvoering van de betrokken bedrijven als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning niet verder wordt belemmerd. Per saldo zullen zij er niet op achteruit gaan, omdat hun geluidsruimte in de bestaande situatie reeds beperkt werd door de bestaande bedrijfswoning, ondanks dat deze bedrijfswoning verder van de bedrijfspercelen gelegen is dan de logiesgebouwen. Overigens is daarbij niet relevant dat de bedrijfswoning niet werd bewoond.[10] Bij de vraag of bestaande bedrijven beperkt worden in hun bedrijfsvoering is slechts van belang of het bestemmingsplan bij recht toestaat dat op het perceel een bedrijfswoning kan worden gevestigd.

Uiteindelijk achtte de Afdeling de door het college en de initiatiefnemer gehanteerde benadering aanvaardbaar. Kort gezegd werd de maximale geluidsruimte van bedrijf X en Y in de bestaande situatie begrensd door de bestaande bedrijfswoning. Deze geluidsruimte is vervolgens modelmatig geprojecteerd op de logiesgebouwen, waarbij aldus mocht worden uitgegaan van een binnenniveau van maximaal 40 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, in plaats van 35 dB (A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Op deze wijze kon worden vastgesteld welke gevelmaatregelen noodzakelijk zijn om een binnenniveau van maximaal 40 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te garanderen. Deze gevelmaatregelen zijn vervolgens door middel van een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden, waarmee is geborgd dat de initiatiefnemer deze maatregelen daadwerkelijk zal realiseren.

Conclusie

Deze uitspraak onderstreept dat het huisvesten van arbeidsmigranten op een relatief zwaar bedrijventerrein niet bij voorbaat onmogelijk is. Wel is bij het aantonen van een goede ruimtelijke ordening zorgvuldig maatwerk vereist.  Aandachtspunten daarbij zijn met name (1) de kwalificatie van de huisvesting als ‘wonen’ of ‘logies’, (2) de aanwezigheid van bestaande geluidsgevoelige objecten die de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven in de bestaande situatie reeds beperken, en (3) een deugdelijke borging van geluidwerende maatregelen in de omgevingsvergunning. De uitspraak laat zien dat met een doordachte benadering en een goed onderbouwd akoestisch onderzoek ook in complexe situaties ruimte kan bestaan voor arbeidsmigrantenhuisvesting.

 

Voor vragen kunt u contact opnemen met Christiaan Geertman of Martijn Fleers.

 

[1] ABRvS 21 januari 2026,  ECLI:NL:RVS:2026:339.

[2] Art. 8.0a lid 2 Bkl.

[3] Art. 2.12 Wabo lid 1.

[4] ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2117, r.o. 6.2.

[5] ABRvS 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:766, r.o. 5.4.

[6] ABRvS 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3915, r.o. 4.3.

[7] ABRvS 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, r.o. 13.1-13.2.

[8] Op grond van artikel 2.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein een etmaalwaarde van maximaal 55 dB(A), en maximale geluidniveaus van 75 dB(A) in de dagperiode, 70 dB(A) in de avondperiode en 65 dB(A) in de nachtperiode.

[9] ABRvS 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:875, r.o. 9.4.

[10] ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1833.

Artikel delen