In zijn uitspraak van 11 mei 2026 oordeelt de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:10791) dat art. 11.16, onder b, Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”), dat visserij-activiteiten in aangewezen Natura 2000-natuurgebieden categorisch vrijstelt van een vergunningplicht, wegens strijd met art. 6, derde lid, Habitatrichtlijn (“Hrl”) onverbindend is. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een afgewezen verzoek om handhavend op te treden tegen mobiele bodemberoerende visserij die zonder omgevingsvergunning plaatsvindt vanaf schepen onder Nederlandse vlag binnen een aangewezen Natura 2000-gebied.

Aan zijn afwijzende beslissing had de minister voor Natuur en Stikstof (inmiddels: staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) ten grondslag gelegd dat geen sprake was overtreding, omdat voor de visserij-activiteiten waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft ingevolge art. 11.16, aanhef en onder b, Bal geen omgevingsvergunning was vereist. De rechtbank overweegt dat uit art. 6, derde lid, Hrl volgt dat voor een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Daartoe is om art. 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, Omgevingswet (Ow) een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit. Deze vergunning wordt slechts verleend, als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art. 8,74b, eerste lid, Bal). Tussen partijen is niet in geschil dat de bodemberoerende visserij-activiteiten die in dit geval plaatsvinden mogelijk de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantasten. De rechtbank ziet zich in het licht van de aangevoerde beroepsgronden voor de vraag gesteld of art. 11.16, onder b, Bal, dat buiten toepassing moet blijven of onverbindend is wegens strijd met art. 6, derde lid, Hrl. Hoewel de Europese Unie exclusief bevoegd is met betrekking tot het vaststellen en uitvoeren van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het natuurbelang een rol speelt bij het vaststellen van de maatregelen die in het kader van dit beleid worden getroffen, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat Nederland gehouden is tot het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit de Hrl. Omdat de categorische uitzondering die art. 11.16, onder b, Bal maakt op het verbod om een project niet eerder toe te staan dan nadat de zekerheid is verkregen dat dit de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten zich volgens de rechtbank niet goed verdraagt met art. 6, derde lid, Hrl, oordeelt de rechtbank de Bal-bepaling om die reden onverbindend. De rechtbank concludeert dat deze bepaling daarom niet aan de afwijzende beslissing op het verzoek om handhaving ten grondslag mocht worden gelegd.