ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1038. [Wederpartij] betoogt dat de begunstigingstermijn te kort is. Hij voert onder meer aan dat het feitelijk niet haalbaar is om binnen vier weken aan de last te voldoen.

Op de zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] desgevraagd naar voren gebracht dat op dat moment vier personen in de woning wonen, die allen een huurovereenkomst hebben voor onbepaalde tijd. [wederpartij] kan de huur niet opzeggen, tenzij er een dringende reden bestaat. In dat laatste geval geldt een opzegtermijn van één maand. Hij heeft daarom ten minste drie maanden de tijd nodig om aan de last te kunnen voldoen.
De begunstigingstermijn moet lang genoeg zijn om aan de last te kunnen voldoen. Uit wat [wederpartij] heeft aangevoerd, maakt de Afdeling op dat aan de last wordt voldaan als ten minste twee bewoners uit de woning zijn vertrokken. Een termijn van vier weken is naar het oordeel van de Afdeling te kort om de daarvoor vereiste maatregelen te treffen.
Het besluit kan in zoverre dan ook niet in stand blijven en komt wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal bepalen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot drie maanden na deze uitspraak.