Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Belanghebbende bij milieubelastende activiteit toepassen licht verontreinigde grond op golfbaan?

Op 6 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:331 deed de rechtbank Noord-Nederland een interessante uitspraak over belanghebbendheid in relatie tot een milieubelastende activiteit, namelijk het toepassen van licht verontreinigde grond op een golfbaan (namelijk de artikelen 3.48o, 3,48q, 4.1265 en 4.1266 Bal). Er is sprake van een nog voorgenomen grootschalige bodemtoepassing op circa 300 meter van verzoekers woning.

14 February 2026

Op 6 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:331 deed de rechtbank Noord-Nederland een interessante uitspraak over belanghebbendheid in relatie tot een milieubelastende activiteit, namelijk het toepassen van licht verontreinigde grond op een golfbaan (namelijk de artikelen 3.48o, 3,48q, 4.1265 en 4.1266 Bal). Er is sprake van een nog voorgenomen grootschalige bodemtoepassing op circa 300 meter van verzoekers woning.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan worden geconcludeerd dat verzoeker, gelet op de aard van de door de derde-partij verrichte werkzaamheden aan de golfbaan (grootschalige bodemtoepassing) en de afstand van zijn woning tot de golfbaan op het betreffende perceel, in dit geval als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Verzoeker heeft aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis, met name bestaande uit de meerjarige aanvoer van verontreinigde grond door tractoren en vrachtwagens over de enige toegangsweg naar zijn woning. De aannemer is bovendien voornemens delen van die toegangsweg te bedekken met rijplaten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen daarom rechtstreeks gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van het perceel en de woning van verzoeker. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker belanghebbende is en dat het college met het bestreden besluit het verzoek om handhaving van verzoeker ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Dit betekent dat de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel komt dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kan blijven en dat het verzoek om handhaving door het college in behandeling moet worden genomen.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft op 14 juni 2025 een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Het verzoek om handhaving heeft betrekking op de volgende aspecten:

- het gebruik van verontreinigde grond op de golfbaan Martensplek;

- het gebruik van de weg naar de woning van eiser door vrachtwagens.

Het college heeft bij brief van 30 september 2025 aan verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om het verzoek om handhaving, voor zover het betrekking heeft op het gebruik van verontreinigde grond, buiten behandeling te stellen omdat er geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende.

Verder heeft het college verzoeker met deze brief in de gelegenheid gesteld om een zienswijze, gericht tegen het voornemen, in te dienen.

Verzoeker heeft een zienswijze bij het college ingediend.

Het college heeft bij het bestreden besluit van 17 november 2025 het verzoek om handhaving, voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van verontreinigde grond, buiten behandeling gesteld omdat er geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende.

Tussen partijen is in geschil of het college het verzoek om handhaving van verzoeker terecht buiten behandeling heeft gesteld. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op het buiten behandeling stellen van het handhavingsverzoek van verzoeker, voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van licht verontreinigde grond, terwijl de gevraagde voorlopige voorziening ziet op een verbod op het gebruik van de weg Kanaal Oostzijde of het verplichten van een alternatieve route om bij de golfbaan in Tiendeveen te komen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Is verzoeker aan te merken als belanghebbende bij het verzoek om handhaving?

Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Abw) omdat hij geen gevolgen van enige betekenis als gevolg van de toepassing van licht verontreinigde grond kan ervaren. Er is sprake van een nog voorgenomen grootschalige bodemtoepassing op circa 300 meter van verzoekers woning. Een bodemverontreiniging ter plaatse van de woning van verzoeker als gevolg van deze toepassingen is volgens het college uitgesloten.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 1:3, tweede lid, van de Awb volgt dat de weigering van een bestuursorgaan om handhavend op te treden slechts een besluit is als verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

Een verzoek om handhaving is slechts een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, indien dit verzoek door een belanghebbende is gedaan. De afwijzing van zo’n verzoek ingediend door een belanghebbende, is vervolgens een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:590).

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3012) volgt dat als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dat is vermeld in de uitspraak van 16 maart 2016 van de Afdeling (ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737), dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. In de uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de Afdeling (ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) ten aanzien van die belanghebbendheid uitgebreid gemotiveerd dat niet een ieder die een effect van ruimtelijke activiteit verneemt in beginsel ook als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Daartoe is geen grond indien er geen hinder van enige betekenis wordt ondervonden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan worden geconcludeerd dat verzoeker, gelet op de aard van de door de derde-partij verrichte werkzaamheden aan de golfbaan (grootschalige bodemtoepassing) en de afstand van zijn woning tot de golfbaan op het betreffende perceel, in dit geval als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Verzoeker heeft aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis, met name bestaande uit de meerjarige aanvoer van verontreinigde grond door tractoren en vrachtwagens over de enige toegangsweg naar zijn woning. De aannemer is bovendien voornemens delen van die toegangsweg te bedekken met rijplaten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen daarom rechtstreeks gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van het perceel en de woning van verzoeker. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker belanghebbende is en dat het college met het bestreden besluit het verzoek om handhaving van verzoeker ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Dit betekent dat de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel komt dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kan blijven en dat het verzoek om handhaving door het college in behandeling moet worden genomen.

Het voorlopige rechtmatigheidsoordeel leidt er echter niet toe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag van verzoeker niet inhoudelijk beoordeeld. Uit rechtspraak volgt dat, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de omvang van het geschil beperkt is wanneer in een besluit geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden (ABRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:544). Dit geldt ook voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, zoals hier aan de orde. De uitkomsten in bezwaar kunnen zijn dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld of dat het college de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Deze beperkte omvang van het geschil maakt dat de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of en op welke wijze handhavend dient te worden opgetreden door het college.

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening om een verbod om gebruik te maken van de weg Kanaal Oostzijde in Tiendeveen of het opleggen van een verplichting om gebruik te maken van de door verzoeker gestelde alternatieve route om bij de golfbaan te komen naar zijn aard niet voorlopig is. Daar komt bij dat het niet aan de voorzieningenrechter is om de opdrachtgever van de grondwerkzaamheden te verbieden om voor de aanvoer van grond gebruik te maken van een openbare weg of dwingend voor te schrijven gebruik te maken van een alternatieve route. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening in een te ver verwijderd verband staat tot het bestreden besluit. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Artikel delen