De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2073) dat de enkele wens om in aanmerking te komen voor een schaarse ligplaatsvergunning voor een bestaande woonboot onvoldoende is om als belanghebbende (in de zin van art. 1:2 Algemene wet bestuursrecht, “Awb”) bij het besluit tot verlenen van die vergunning te kunnen worden aangemerkt. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het oordeel van de rechtbank dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) het tegen de verleende ligplaatsvergunning ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard, omdat appellant - een belangstellende derde - niet kwalificeert als belanghebbende.

Appellant betoogt dat de omstandigheid dat hij zich voorafgaand aan het moment van vergunningverlening niet als potentieel gegadigde heeft kunnen melden, met als gevolg dat hij nadien niet wordt gezien als belanghebbende, is terug te voeren op het ontbreken van een transparante voorbereidings- c.q. verdelingsprocedure. Om diezelfde reden kan hem evenmin worden verweten geen aanvullende voorbereidingshandelingen te hebben verricht (zoals het overleggen van een koop- of optieovereenkomst ter verkrijging van een woonboot). De Afdeling overweegt dat onder ‘belanghebbende’ (in de zin van art. 1:2, eerste lid, Awb) wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarvoor dient sprake te zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is onvoldoende; hetzelfde geldt voor louter het voornemen om zich ergens te vestigen zonder dat daaraan een begin van uitvoering is gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling is appellant geen belanghebbende bij de verleende ligplaatsvergunning: voorafgaand aan deze besluitvorming heeft appellant op geen enkele manier bij het college zijn interesse in de ligplaats kenbaar gemaakt, ook niet naar aanleiding van de voorafgaand aan de vergunningverlening gepubliceerde vergunningaanvraag. Het had volgens de Afdeling op de weg van appellant gelegen om zich op dat moment tot het college te wenden, te meer nu hij te kennen heeft gegeven bekend te zijn met het lokale beleid omtrent ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten. Niet gebleken is dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van een willekeurig ander; de enkele wens om een ligplaatsvergunning op de vergunde locatie te krijgen is daarvoor onvoldoende (vgl. de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2410). Naar het oordeel van de Afdeling kan geen belanghebbendheid worden aangenomen vanwege de enkele intentie om de rechtmatigheid van een verdelingsprocedure bij een schaarse vergunning aan de orde te stellen: ook in de situatie van niet-economische vergunningen voor particulieren, zoals in dit geval bij ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten, geldt dat een potentiële belangstellende zijn interesse in zo’n vergunning tijdig bij het bestuursorgaan kenbaar moet maken.