In haar tussenuitspraak van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1844) oordeelt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) de verzoekers om nadeelcompensatie en een tegemoetkoming in planschade (“appellanten”) ten onrechte actieve risicoaanvaarding heeft tegengeworpen, omdat deze geen daadwerkelijke mogelijkheid hadden om het risico op een voorzienbare nadelige ontwikkeling voor de exploitatie van hun winkelpand op betekenisvolle wijze te verdisconteren in de aankoopprijs.

De Afdeling overweegt dat uit haar overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3690) volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.3 Wet ruimtelijke ordening (“Wro”) ook de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak moet worden betrokken. De schadeoorzaak is voorzienbaar als voor de aanvrager aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Als de schadeoorzaak voorzienbaar was, kan het bestuursorgaan mogelijk risicoaanvaarding aan de aanvrager tegenwerpen, hetgeen betekent dat de schade voor zijn rekening blijft. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve risicoaanvaarding. Van actieve risicoaanvaarding kan sprake zijn als de aanvrager een investeringsbeslissing heeft genomen, bijvoorbeeld door een onroerende zaak te kopen, terwijl de schadeoorzaak voor een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van deze investeringsbeslissing voorzienbaar was. De voorzienbaarheid wordt vastgesteld op het moment van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak (en dus niet op het moment van levering). Actieve risicoaanvaarding mag niet worden tegengeworpen bij rechtsopvolging onder algemene titel of daarmee gelijk te stellen wijzen van verkrijging. Ook bij een verzoek om nadeelcompensatie wordt de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrokken (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3666). De Afdeling stelt vast dat in dit geval sprake was van een bedrijfsfusie na de peildatum (het moment waarop het ontwerpbestemmingsplan ter inzage werd gelegd en de schadeveroorzakende ontwikkelingen voorzienbaar werden), waarbij de exploitatie van het betrokken winkelpand is overgegaan naar een andere vennootschap. Bij die bedrijfsfusie zijn de bezittingen onder bijzondere titel aan de verkrijgende vennootschap overgedragen en heeft deze partij ook de schulden en contracten (na instemming van de schuldeisers en wederpartijen) overgenomen. Als uitgangspunt heeft volgens de Afdeling op dat moment te gelden dat de verkrijgende vennootschap wordt geacht het risico op de nadelige ontwikkeling te hebben aanvaard; een redelijk denkend en handelend kopende (rechts)persoon wordt immers geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van een bepaalde negatieve ontwikkeling – zoals in dit geval de herontwikkeling van het centrumgebied waarin het winkelpand is gelegen - te verdisconteren in de aankoopprijs van de onderneming. In bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen, aldus de Afdeling, namelijk als die verdisconteringsmogelijkheid ontbreekt. In zo’n situatie is er geen grond om aan de verkrijgende vennootschap actieve risicoaanvaarding tegen te werpen. Naar het oordeel van de Afdeling doen dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval voor.