In deze zaak draait het om het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om handhaving tegen erfafscheidingen.

Op 1 november 2021 diende [appellant sub 1] een verzoek tot handhaving in bij het college. Toen daarop geen tijdige reactie volgde, stelde zij het college op 14 januari 2022 schriftelijk in gebreke, zoals vereist door artikel 4:17, eerste lid, Awb. Dit artikel bepaalt dat een bestuursorgaan een dwangsom verbeurt als niet tijdig op een aanvraag wordt beslist. Volgens lid 3 van dat artikel vangt de dwangsom aan de dag nadat twee weken zijn verstreken na ingebrekestelling.
Uiteindelijk trok [appellant sub 1] haar verzoek tot handhaving op 15 februari 2022 in. Desondanks bleef zij voor de periode daarvoor belanghebbende, omdat het college op dat moment al te laat was met beslissen. Het college nam pas op 13 mei 2022 een besluit, waarin het stelde dat geen dwangsom verschuldigd was omdat het verzoek inmiddels was ingetrokken.
De rechtbank ging hier niet in mee en oordeelde dat de dwangsomregeling nog steeds van toepassing was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Volgens de Afdeling kan de intrekking van het verzoek niet afdoen aan het eerdere verzuim: een belanghebbende behoudt recht op de dwangsom zolang de voorwaarden uit artikel 4:17 Awb vervuld zijn. De in lid 6 genoemde uitzonderingen – zoals het ontbreken van belang of een kennelijk ongegrond verzoek – deden zich hier niet voor.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het college ook de door [appellant sub 1] gemaakte kosten voor bezwaar en hoger beroep moet vergoeden, op grond van artikel 7:15 Awb en artikel 8:75 Awb. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Kern: Het intrekken van een handhavingsverzoek doet geen afbreuk aan het recht op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Voor bestuursorganen betekent dit dat zij ook bij een latere intrekking van een verzoek alert moeten blijven op de beslistermijnen en de gevolgen van een ingebrekestelling.
Praktijkles: Het intrekken van een handhavingsverzoek betekent niet dat de verplichting tot tijdig beslissen vervalt. Bestuursorganen doen er verstandig aan termijnen strikt te bewaken en tijdig te besluiten, ook wanneer een verzoek (later) wordt ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat alsnog dwangsommen en proceskosten verschuldigd raken.