Uit de Afdelingsuitspraak van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2305) volg dat het college de aan een vishandel voor onbepaalde tijd verleende standplaatsvergunning ten onrechte heeft omgezet in een standplaatsvergunning voor bepaalde tijd, omdat het college van burgemeester en wethouders (“college”) niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van fysieke of beleidsmatige schaarste (of een combinatie daarvan). Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het omzetten van de standplaatsvergunning voor een vishandel naar een tijdelijke vergunning voor de duur van 15 jaar.

De vishandelaar, die bij de rechtbank nog in het ongelijk was gesteld, betoogt in hoger beroep dat geen sprake is van schaarste en dat de standplaatsvergunning daarom geen schaars recht is. De Afdeling overweegt dat op schaarse vergunningen Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (Dienstenrichtlijn, “Drl”) van toepassing is. Uit de artt. 11 en 12 Drl volgt dat niet-schaarse vergunningen voor het aanbieden van diensten in beginsel voor onbepaalde tijd worden verleend en dat schaarse vergunningen voor het aanbieden van diensten niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend. De Drl is volgens de Afdeling, voor zover voor deze zaak van belang, correct omgezet in de Dienstenwet. De Afdeling stelt vast dat uit de op 25 mei 2016 genomen conclusie (ECLI:NL:RVS:2016:1421) volgt dat sprake is van schaarse publieke rechten, indien de som van de omvang van de aanvragen het aantal beschikbare publieke rechten overtreft. Dat laatstbedoelde plafond – het maximale aantal te verlenen vergunningen dat expliciet of impliciet kan blijken - kan voortvloeien uit de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen (fysieke schaarste) of aan bruikbare technische mogelijkheden (technische schaarste) (art. 33, vierde lid, onder b, Dienstenwet), maar ook om beleidsmatige redenen kan worden vastgesteld (beleidsmatige schaarste) (art. 33, eerste lid onder b, Dienstenwet). Naar het oordeel van de Afdeling gaat het bij de beoordeling van fysieke schaarste enkel om de vraag of het aantal locaties dat geschikt is voor een standplaats beperkt is; het doel is immers te waarborgen dat andere dienstverleners de mogelijkheid hebben de betreffende activiteit te verrichten. Uit de omstandigheid dat er geen maximum geldt voor het aantal te verlenen vergunningen voor standplaatsen leidt de Afdeling af dat evenmin sprake is van beleidsmatige schaarste; het enkele feit dat het college om planologische redenen terughoudend omgaat met het toewijzen van nieuwe standplaatsen maakt dit niet anders. Omdat het college fysieke of beleidsmatige schaarste niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de standplaatsvergunning van de vishandelaar geen schaars karakter en mocht het college de voor onbepaalde tijd verleende vergunning daarom niet ongevraagd omzetten naar een vergunning voor bepaalde tijd.