De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 21 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:362) dat Gedeputeerde Staten (“GS”) bij de beoordeling van de vraag of het intrekken van een natuurvergunning voor activiteiten met stikstofdepositie een ‘passende maatregel’ (in de zin van art. 6, tweede lid, Habitatrichtlijn) is geen maatregelen mag betrekken die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie.

Aanleiding voor dit oordeel was de afwijzende beslissing van GS op het verzoek om intrekking van een op grond van art. 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming (“Wnb”) verleende natuurvergunning voor de exploitatie van een rundveehouderij. De natuurvergunning was verleend op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en maakt een toename van stikstofdepositie mogelijk in enkele omliggende Natura 2000-gebieden. In hoger beroep is onder meer in geschil of GS het treffen van hydrologische herstelmaatregelen in deze gebieden mochten betrekken in de motivering van het besluit om geen toepassing te geven aan de intrekkingsbevoegdheid van art. 5.4, tweede lid, Wnb. Volgens de Afdeling moeten GS bij de beoordeling van het intrekkingsverzoek onderbouwen welke daling van stikstofdepositie noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969). Naar het oordeel van de Afdeling mogen GS alleen verwijzen naar (te treffen) passende maatregelen die zien op een reductie van stikstofdepositie ter onderbouwing van het standpunt dat intrekking niet nodig is als passende maatregel. Dit betekent volgens de Afdeling niet dat aan andersoortige herstelmaatregelen in zijn geheel geen waarde kan toekomen. Zo kunnen hydrologische herstelmaatregelen - zoals in dit geval het dempen van sloten, de aanleg van kades, het plaatsen van stuwen en het aanleggen van bufferzones – volgens de Afdeling leiden tot een robuuster Natura 2000-gebied dat (een overschrijding van) stikstofdepositie beter kan verdragen.