Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Bevestiging dat nieuwe regeling intrekking omgevingsvergunningen ook geldt voor 'oude wabo-vergunningen'

Rechtbank Midden-Nederland 16 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:565. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat het intrekkingsbesluit onduidelijk zou zijn. De vier aan eiser verleende omgevingsvergunningen waar het hier om gaat, zien op de activiteit ‘bouwen’. Wil eiser dus activiteiten verrichten met gebruikmaking van deze vergunningen dan moet hij met gebruikmaking van de vergunningen gaan bouwen.

16 March 2026

Samenvattingen

Om geen misverstanden te laten bestaan over wat er onder bouwen wordt verstaan, heeft het college in het intrekkingsbesluit opgenomen wat er onder ‘bouwen’ wordt verstaan: het verrichten van een constructieve handeling waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die bedoeld is om ter plaatse duurzaam aanwezig te zijn. Deze omschrijving is in lijn met de jurisprudentie over dit begrip. Het gaat om werkzaamheden die een constructief karakter hebben (bijvoorbeeld dus niet het schilderen van de buitengevel of enkel het wijzigen van een vergund gebruik). De rechtbank ziet niet waarom dit onduidelijk zou zijn.

Ook volgt de rechtbank eiser niet in het betoog dat het college niet bevoegd zou zijn geweest tot intrekking, of in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van die bevoegdheid. Op grond van artikel 5:40, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet (Ow) is het college bevoegd om een omgevingsvergunning in te trekken als er gedurende een jaar geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komt het college bij toepassing van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning op die grondslag in te trekken beleidsruimte toe. Dat is onder de Omgevingswet niet anders dan onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college moet alle relevante belangen inventariseren en afwegen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag het college ook in aanmerking nemen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat vergunninghouder niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is al voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.

Als er sprake is van omgevingsvergunningen die zijn verleend onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die onherroepelijk zijn, zoals hier het geval, worden die vergunningen geacht omgevingsvergunningen op grond van de Omgevingswet te zijn, zie artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Daarmee is artikel 5.40, tweede lid en onder b van de Ow van toepassing op (oude) omgevingsvergunningen.

Artikel delen