In de uitspraak Rechtbank Midden-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:316 wordt weer eens bevestigd dat bij zowel de OPA Bouw als de bouwtechnische vergunning sprake is van een limitatief-imperatief toetsingskader.

- T.a.v. de bouwtechnische vergunning (art. 5.1, lid 2, onder a Omgevingswet jo. art. 8.3b Bkl).
Verzoeker voert aan dat bij de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit onduidelijk is hoe deze activiteit binnen de bestemmingsomschrijving ‘Bedrijf-dierenasiel’ valt. Ook zijn volgens verzoeker de publiekrechtelijke beperking die op het perceel rust en het verbod op grondwateronttrekking of -gebruik ten onrechte niet in de omgevingsvergunning genoemd.
De vzr. is met het college van oordeel dat de 3 punten die verzoeker hier aanvoert geen onderdeel uitmaken van de beoordelingsregels voor de technische bouwactiviteit. De omgevingsvergunning voor deze bouwactiviteit wordt door het college alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels voor technische bouwkwaliteit van hoofdstuk 4 Bbl (en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld), zie: art. 8.3b Bkl. Daarvan maken deze 3 punten geen onderdeel uit.
- T.a.v. de OPA Bouw (art. 5.1, lid 1, onder a Ow jo. art. 22.26/22.29 omgevingsplan):
In dit geval heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag van vergunninghouder vastgesteld dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die niet in strijd is met het omgevingsplan (een zogenoemde binnenplanse omgevingsplanactiviteit). Het college moet de omgevingsvergunning verlenen als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning art. 8.0a, lid Bkl). Het college acht het bouwplan van vergunninghouder niet in strijd met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Ook is het uiterlijk of de plaatsing van het nieuwe dierzorgcentrum niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet overschreden (art. 22.29 Omgevingsplan). Het college moest de omgevingsvergunning daarom verlenen. Het college heeft dan geen beleidsruimte. Dit betekent dat het college ook geen ruimte heeft om te beoordelen of sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen.