Rechtbank Den Haag 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1875. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een woning. Op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Ter plaatse van het betrokken perceel geldt, voor zover relevant, het bestemmingsplan “Cultuurhistorie”. Op het perceel is de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie – Ensembles” van kracht. In art. 4.5.1, onder a v.d. planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, geheel of gedeeltelijk te slopen.
Op grond van art. 8.0a, lid 1 Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 4.5.1 tot en met en 4.5.5 van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” geldt dat de vergunning voor de sloop van het ensemble met cultuurhistorische waarden enkel kan worden verleend als de aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont waarom bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de te slopen cultuurhistorische waarden in redelijkheid niet te handhaven zijn. Het bestreden besluit en de daarbij behorende documenten geven er volgens verzoeker geen blijk van dat de aanvrager dergelijke documentatie heeft overgelegd. Het college heeft ook ten onrechte geen advies gevraagd aan een deskundige inzake cultuurhistorie, aldus verzoeker.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de artt. 4.5.1 en verder van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” in het bestreden besluit niet zijn genoemd, ook niet in de paragraaf ‘Toetsingskader’. Daarin zijn wel de artt. 22.26 en 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat) vermeld, maar die artikelen zijn in dit geval niet van toepassing, omdat die over de activiteit bouwen gaan en niet over slopen.
Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus het toetsingskader niet juist toegepast. Het bestreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.