Recent deed de Rechtbank Den Haag uitspraak in een zaak waar voor zover ik kan overzien een van de eerste keren expliciet is geoordeeld over het buiten toepassing laten van de passende beoordelingsplicht wegens gestelde strijd met het evenredigheidsbeginsel.

De zaak draait om een natuurvergunning voor uitbreiding van een melkveehouderij na vernietiging van een eerdere PAS-vergunning. Uit AERIUS-berekeningen volgt extra stikstofdepositie op al overbelaste Natura 2000-gebieden; maar een passende beoordeling heeft de melkveehouder niet ingediend. Daarmee voldoet de aanvraag niet aan art. 2.8(3) Wnb. Het college weigert daarom de vergunning.
Eisers stellen dat de schade van de PAS-uitspraak feitelijk volledig op hun bedrijf wordt afgewenteld, dat de overheid te lang heeft stilgezeten met robuuste natuurherstelmaatregelen en het invoeren van een rekenkundige ondergrens, en dat daardoor de toepassing van art. 2.8(3) Wnb in hun geval onevenredig uitpakt en daarom achterwege had moeten blijven. Zij wijzen daarbij ook op de benarde situatie waarin zij daardoor zijn geraakt (o.a. zij krijgen geen financiering meer, en een naar hun stelling onverkoopbaar geworden bedrijf).
De rechtbank wijst erop dat art. 2.8(3) Wnb een bepaling in een wet in formele zin is en niet rechtstreeks aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst (art. 120 Gw). Daarna schetst de rechtbank het bekende kader: kort samengevat kan een rechter een wetsbepaling alleen buiten toepassing laten als zich bijzondere, niet (ten volle) verdisconteerde omstandigheden voordoen die maken dat toepassing zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat zij achterwege moet blijven.
De rechtbank overweegt vervolgens dat art. 2.8(3) Wnb dwingend voorschrijft dat een natuurvergunning uitsluitend kan worden verleend na het doen van een passende beoordeling. En dat de wetgever bij de totstandkoming van deze bepaling moet hebben onderkend dat een weigering voor de aanvrager verstrekkende (financiële) gevolgen kan hebben. Dat eisers deze gevolgen ervaren, maakt dat volgens de rechtbank echter nog niet tot “bijzondere omstandigheden” die niet of niet ten volle in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd. De - volgens de rechtbank - invoelbare wijze waarop eisers hebben toegelicht welke gevolgen dit alles voor hen heeft: veel onzekerheid en verdriet, jarenlang wachten op nieuwe regels en het gevoel “de dupe” te zijn geworden van de juridisch niet houdbaar gebleken PAS-regelgeving maakt dit niet anders. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college de vergunning terecht weigerde.