Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Burgemeester Almere terecht afgeweken van Bibob-advies

Een interessante uitspraak van de Afdeling van vandaag toont aan dat het klakkeloos volgen van de conclusie van een Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) niet altijd verstandig is.

13 May 2026

De burgemeester van Almere weigerde voor een vestiging van FEBO een vergunning alcoholvrijbedrijf en een terrasvergunning op grond van de Wet Bibob. Dat deed hij in afwijking van een advies van het LBB. Volgens het LBB was sprake van een mindere mate van gevaar dat de vergunningen werden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond). De burgemeester oordeelde echter dat sprake was van een ernstig gevaar. Hij baseerde dat oordeel vooral op feiten die zouden zijn begaan door personen die in zakelijk samenwerkingsverband tot FEBO staan respectievelijk vermogen zouden hebben verschaft.

Hoewel niet precies uit de uitspraak blijkt op welke punten de burgemeester van het advies van het LBB is afgeweken, lijkt dit te gaan om enkele strafbare feiten die volgens het LBB geheel niet bij de gevaarsbeoordeling mochten worden betrokken (leidinggeven aan vuurwapenhandel, heling en handelen in strijd met het Vuurwerkbesluit). Daarnaast lijkt het erop dat het LBB aannam dat twee personen in een te ver verwijderd verband zouden staan van FEBO, waardoor aan de door hen gepleegde strafbare feiten minder zwaar gewicht werd toegekend. Dit leid ik (voorzichtig) af uit de hogerberoepsgronden van de burgemeester, gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, die óók vond dat sprake was van een mindere mate van gevaar.

De Afdeling volgt echter de burgemeester. Volgens de Afdeling mocht de burgemeester de afgeschreven feiten betreffende vuurwapenhandel en heling betrekken en zijn deze feiten, in samenhang met andere feiten – waaronder een vermoeden van valsheid in geschrifte bij een aanvraag voor Hotel Cataleya (zie over deze zaak ABRvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:212) – ernstig en niet te verenigen met de exploitatie van een horeca-inrichting. Ook hangen de feiten volgens de Afdeling samen met de exploitatie van een horeca-inrichting, mede vanwege de kwetsbaarheid van de horecabranche voor dergelijke feiten. De overtredingen laten volgens de Afdeling een patroon zien van het handelen van de personen die in relatie staan tot FEBO.

De burgemeester mocht daarom redelijkerwijs uitgaan van een ernstig gevaar.

Les voor de praktijk: bestuursorganen moeten zich van de juistheid van een Bibob-advies vergewissen (artikel 3:9 Awb). Zij blijven zelf verantwoordelijk voor het besluit dat op grond van het Bibob-advies wordt genomen. Niet alleen waar het gaat om de evenredigheid – waarover het LBB 𝙣𝙞𝙚𝙩 adviseert – maar ook wat de gevaarsconclusie zelf betreft. Een zorgvuldige invulling van de vergewisplicht kan er dus ook toe leiden dat in strengere zin van een Bibob-advies wordt afgeweken.

Lees de uitspraak hier: Uitspraak 202303363/1/A3 | Raad van State

Artikel delen