Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Concurrent in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied toch geen belanghebbende bij handhavingsverzoek vanwege ontbreken feitelijke gevolgen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1238) dat de reactie van het college van burgemeester en wethouders (“college”) op de door een verhuurder van vakantiewoningen in een populaire badplaats ingediende handhavingsverzoeken niet kwalificeert als een appellabel besluit (in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb), omdat het concurrentiebelang van de verhuurder niet rechtstreeks betrokken belang is bij de recreatieve verhuur van 28 andere panden.

13 March 2026

Omdat de verhuurder geen belanghebbende is, staat voor hem geen beroepsgang bij de bestuursrechter open. De Afdeling overweegt ambtshalve dat een onderneming een concurrentiebelang heeft als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende. Van het uitgangspunt dat een concurrentiebelang in beginsel rechtstreeks is betrokken bij het besluit, indien een concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied, kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn. Volgens de Afdeling voerde de procederende verhuurder ten tijde van het nemen van de beslissingen feitelijk bedrijfsactiviteiten uit in hetzelfde marktsegment en binnen hetzelfde verzorgingsgebied als de rechthebbenden van de panden waarop de handhavingsverzoeken betrekking hebben. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat in dit verzorgingsgebied duizenden (delen van) panden worden aangeboden voor recreatief verblijf op verhuurbasis, zodat het college het daarom terecht uitgesloten heeft geacht dat de procederende verhuurder enige feitelijk gevolgen (zoals omzetverlies) zal ondervinden door de beweerdelijk illegale verhuur van de in de handhavingsverzoeken genoemde panden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1498 en 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:632). Omdat deze feitelijke gevolgen ontbreken, is de procederende verhuurder geen belanghebbende (als bedoeld in ar. 1:2, eerste lid, Awb), kwalificeren diens handhavingsverzoeken niet als ‘aanvragen’ (in de zin van art. 1:3, derde lid, Awb) en levert de reactie van het college op die verzoeken geen appellabel ‘besluit’ op (als bedoeld in art. 1:3, eerste lid, Awb).

Artikel delen