Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning krijg je vaak te maken met adviezen van de gemeentelijke adviescommissie (welstands- of monumentencommissie). Een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:1157) laat zien waar de grens van deze commissie precies ligt.

Een veelvoorkomende misvatting is dat de adviescommissie kan bepalen óf er gebouwd mag worden. Juridisch gezien zit dat anders:
- Als een bouwplan past binnen de regels van het omgevingsplan (of als het college besluit af te wijken via een BOPA), dan is de aanwezigheid van dat bouwwerk een gegeven.
- De commissie mag enkel adviseren over de wijze waarop het bouwwerk wordt uitgevoerd (denk aan materiaal, kleur of detaillering). Ze mogen het bouwwerk niet in essentie verbieden als het planologisch gezien gewoon mag. Dit staat overigens onder de Omgevingswet ook in artikel 22.29 van de "Bruidsschat".
In deze zaak weigerde de welstandscommissie akkoord te gaan met een toevoeging (driehoekig plexiglas) aan een terrasoverkapping. De commissie vond de gehele overkapping namelijk niet passen in het stadsgezicht. De rechtbank floot de commissie echter terug. De overkapping zelf was namelijk jaren geleden al officieel vergund. De commissie had daarom de bestaande planologische situatie als uitgangspunt moeten nemen. Ze mogen niet proberen een vergund bouwwerk alsnog "tegen te houden" door negatief te adviseren over een latere aanpassing.
Een adviescommissie moet zich voegen naar de bouwmogelijkheden die het omgevingsplan of een eerdere vergunning al bieden. Zij gaan over het uiterlijk, niet over de vraag of het bouwwerk daar mag staan. De commissie mag eisen stellen aan de afwerking (bijvoorbeeld: "geen plexiglas maar glas"), maar ze mogen niet concluderen dat er "niets" mag komen als het gebruiksrecht er gewoon ligt. Het College van B&W mag een advies niet zomaar overnemen als de commissie op de stoel van de planoloog is gaan zitten. De gemeente heeft een eigen vergewisplicht. Juridisch gezien is de welstandscommissie een onafhankelijke deskundige zoals bedoeld in artikel 3:5 van de Awb. Dat brengt strikte spelregels met zich mee. Het college mag een advies alleen gebruiken als het zorgvuldig tot stand is gekomen en begrijpelijk is gemotiveerd.