Je herkent het vast wel: je bent vol enthousiasme bezig met een vergunningtraject, maar gaandeweg doemen er beletselen op waardoor het plan in de huidige vorm niet verleend kan worden. In de praktijk ontstaat dan vaak de discussie of de aanvrager de kans moet krijgen van het bevoegd gezag om het plan 'on the fly' aan te passen, of dat er direct een streep door de aanvraag gaat. Een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:536) vormt een mooie aanleiding om weer eens scherp te krijgen hoe de vlag erbij hangt, want het bevestigt de vaste lijn die we al kennen van de Afdeling .

Het is namelijk een fundamenteel uitgangspunt dat het bevoegd gezag de ruimte heeft -en heel soms zelfs de plicht- om een aanvrager de gelegenheid te bieden de plannen zodanig te wijzigen dat de kou uit de lucht is. Maar let op, want er zit een belangrijke 'mits' aan vast: het moet gaan om een wijziging van ondergeschikte aard. Dit is een essentieel instrument om procedures efficiënt te houden zonder dat er voor elke kleine aanpassing een compleet nieuwe aanvraag hoeft te worden ingediend.
In deze bewuste zaak werd duidelijk dat deze vlieger niet altijd opgaat, zeker niet als de voorgestelde wijziging het eigenlijke probleem niet direct oplost. In deze casus wilde de eiser de aanvraag beperken tot enkel de verdiepingen om zo de afwijking van het bestemmingsplan te verkleinen. Hoewel dat op papier een ondergeschikte wijziging lijkt, oordeelde de rechtbank dat het college hier niet in mee hoefde te gaan. Er was namelijk geen sprake van een situatie waarin op voorhand duidelijk was dat het beletsel hiermee 'eenvoudig' kon worden weggenomen.
De twijfels over de geschiktheid van de ruimtes (denk aan daglicht en plafondhoogte volgens het Bbl) bleven bestaan. De rechter bevestigt hiermee dat de overheid weliswaar kan meedenken, maar dat de herstelkans geen verplichting is als de wijziging de strijdigheid met de regels niet direct en evident wegneemt.
Door Marc Hölzmann