Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

De vergewisplicht bij inschakeling deskundigen

Een appellante verzoekt het college van Nijkerk om handhavend op te treden vanwege de bouwkundige staat van een woning te Hoevelaken. De appellante huurde de woning en het verzoek richtte zich tot de eigenaar. Het handhavingsverzoek werd gedeeltelijk toegewezen gelet op het gebrekkig functioneren van het mechanische ventilatiesysteem.

16 February 2026

Samenvattingen

Naar aanleiding van een uitspraak van de Voorzieningenrechter heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar een mogelijke andere overtreding, te weten van art. 3.26 Bouwbesluit 2012, waarin is bepaald dat de uitwendige scheidingsconstructie, in casu de vloer, van een verblijfs-, toilet- of badruimte waterdicht moet zijn. Het college liet dit onderzoek uitvoeren door De Keurder. Dit onderzoek leidde ertoe dat het college, op basis van een aanvullende motivering, bij haar besluit bleef. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In hoger beroep wordt het onderzoek van De Keurder ter discussie gesteld. Op basis van dit onderzoek kan niet worden geconcludeerd dat is voldaan aan voornoemd artikel 3.26 Bouwbesluit 2012. Zo ontbreken de gehanteerde meetmethodes en meetresultaten in het rapport, aldus appellante.

De Afdeling dient zich uit te laten over de vraag of het college gehandeld heeft volgens de vergewisplicht die op haar rust. Nagegaan moet worden of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarom begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Als er door een partij concrete aanknopingspunten naar voren worden gebracht over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan (artikel 3:9 Awb voor wettelijke adviseurs en artikel 3:2 Awb voor overige adviseurs).

Ter zitting erkende het college dat de aan de orde zijnde waterdichtheid van de vloer niet was bepaald volgens de toepasselijke norm NEN 2778. Echter, er zouden metingen zijn uitgevoerd met een vochtmeter door een toezichthouder. Ook de eigenaar van de woning stelde dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat er geen vocht zou zijn geconstateerd in de kruipruimte, in de vloer, en dat in de woning geen sprake is van een te hoog vochtgehalte.

De Afdeling overweegt dat als het daadwerkelijk zo zou zijn dat de bepalingsmethode volgens NEN 2778 onmogelijk zou zijn, er een alternatieve methode mogelijk is en verwijst naar de uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:101). Echter, het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het praktisch onmogelijk zou zijn de waterdichtheid van de vloer te bepalen conform NEN 2778.

Het beroep is daarom gegrond. Het college moet een nieuwe beslissing nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van de uitspraak. De uitspraak toont aan dat het onder omstandigheden kan lonen om als appellant een eigen onderzoek in het geding te brengen. In deze zaak was daar geen sprake van en was nader onderzoek nodig gelet op de uitspraak van de Voorzieningenrechter. Uit een eigen onderzoek zal dan wel moeten blijken dat er aantoonbare onvolkomenheden zijn in het onderzoek waar het college zich op beroept. Wanneer een andere deskundige slechts een ander standpunt inneemt, ook al is dat standpunt goed gemotiveerd, dan is dat onvoldoende. Het gaat erom of het rapport waarop het college zich beroept al dan niet tot stand is gekomen overeenkomstig daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid.