Inmiddels zijn veel gemeenten ervan op de hoogte dat zij bij de verkoop van grond moeten werken met objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria. Maar let op: ook als een gemeente grondtransacties faciliteert zonder zelf grond te verkopen, gelden die eisen. Dat bevestigt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een arrest van 27 januari 2026 over een gebiedsproces in de gemeente Dronten, waarbij de gemeente tekortschoot in transparantie.

De gemeente Dronten startte een gebiedsproces om nieuwe natuur te ontwikkelen aan de oostkant van de gemeente, mede met subsidie van de provincie Flevoland in de vorm van een ruilbedrijf. In 2016 nodigde de gemeente grondgebruikers in het projectgebied uit voor inventarisatiegesprekken. In haar uitnodigingsbrief kondigde de gemeente aan dat er in overleg criteria zouden worden opgesteld waaraan gegadigden moesten voldoen. Met twintig grondgebruikers vonden inventarisatiegesprekken plaats.
Vervolgens liep het mis. De gemeente sloot uiteindelijk uitvoeringsovereenkomsten met slechts drie contractanten, zonder ooit te verduidelijken op grond van welke criteria die keuze was gevallen. Sterker nog: zelfs tijdens de mondelinge behandeling bij het hof kon de gemeente geen heldere uitleg geven. Zeven van de twintig grondgebruikers stelden de gemeente aansprakelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het transparantiebeginsel.
Het hof stelt voorop dat het Didam I-arrest (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) niet rechtstreeks van toepassing is, omdat de gemeente in het gebiedsproces geen onroerende zaken verkocht. Toch acht het hof de Didam-criteria overeenkomstig van toepassing. De gemeente faciliteerde immers grondtransacties, stelde gelden ter beschikking voor nieuwe natuur en verstrekte vergoedingen voor beheerstaken aan agrariërs. Ook bij de selectie van deelnemers aan zo’n project is de gemeente gehouden objectieve, toetsbare en redelijke criteria te formuleren.
De gemeente had in haar brief van 2 juni 2016 zelf al aangekondigd dat er criteria zouden worden opgesteld. Door dit vervolgens na te laten, heeft zij niet alleen het gelijkheidsbeginsel geschonden, maar ook de verwachtingen gewekt die zij daarna niet heeft waargemaakt. Dat is derhalve ook een schending van het vertrouwensbeginsel. Dat de gemeente in de realisatieovereenkomst had opgenomen dat de deelnemers op basis van “vooraf bekende criteria” waren geselecteerd, maakte het er niet beter op.
Het hof bekrachtigt de verwijzing naar de schadestaat. De grondgebruikers zullen daarin per eiser aannemelijk moeten maken dat zij – als de criteria tijdig waren bekendgemaakt – een plan hadden kunnen indienen dat aan die criteria voldeed. Slagen zij daarin, dan kan de schade worden begroot aan de hand van het leerstuk van kansschade. Één eiser valt af: hij behoorde niet tot de grondgebruikers omdat hij nooit had deelgenomen aan de inventarisatiegesprekken.
De gemeente Dronten – en hopelijk ook veel andere gemeenten – weet nu dat een gebiedsproces met selectie van deelnemers niet vrijblijvend is. Wie criteria aankondigt, moet ze ook formuleren en toepassen. En wie dat nalaat, mag zich opmaken voor een schadestaat.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 januari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2026:446.