Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Dienstenrichtlijn ten onrechte niet toegepast op Amsterdamse ligplaatsvergunningen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 25 februari 2026 in twee samenhangende uitspraken de omzettingsbesluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vernietigd, waarmee het college ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd had omgezet naar vergunningen voor bepaalde tijd. Het college had de verkeerde wettelijke grondslag gekozen, niet deugdelijk gemotiveerd waarom ligplaatsvergunningen überhaupt schaars zijn en de Dienstenrichtlijn ten onrechte niet van toepassing geacht.

25 March 2026

De zaak kent een lange voorgeschiedenis. Amsterdam heeft 377 aangewezen ligplaatsen voor passagiersvaartuigen tegenover circa 750 lopende exploitatievergunningen. Om schaarse ligplaatsen eerlijker te verdelen besloot het college in 2022 bestaande vergunningen voor onbepaalde tijd om te zetten naar bepaalde tijd, met einddata tussen 2024 en 2030. In 2024 maakte de Afdeling al een einde aan de parallelle omzetting van exploitatievergunningen (ABRvS 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732); die gelden sindsdien weer voor onbepaalde tijd.

Het college baseerde de wijziging op artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater (Vob), dat een "verandering van omstandigheden of inzichten" voorschrijft. Daarvan is volgens de Afdeling geen sprake. Sinds de uitspraak van 2024 is de ligplaatsvergunnig niet meer gekoppeld aan de exploitatievergunning en er is geen schaarste, omdat het tekort aan ligplaatsen al decennia bestaat, maar de vraag steeds het aanbod overtrof. 

De Afdeling concludeert hieruit dat het college sub b niet mocht gebruiken om langs een omweg uitvoering te geven aan de Dienstenrichtlijn. Daarvoor bestaat immers een eigen grondslag in sub e van hetzelfde artikel, die door de raad in 2019 met dat doel werd ingevoerd. Dit raakt aan het verbod van détournement de pouvoir: een bevoegdheid aanwenden voor een doel waarvoor een andere, specifieke bevoegdheid bestaat.

Over de vraag of de Dienstenrichtlijn van toepassing was, bestond lang onduidelijkheid. Eerder nam de rechtbank Amsterdam aan dat de richtlijn niet van toepassing was op ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen (Rb. Amsterdam 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4456). Met een uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1709) is die lijn verlaten: omdat het vergunningvereiste naar zijn aard uitsluitend voor dienstverrichters geldt, en niet voor particulieren, valt het onder de Dienstenrichtlijn. In de hier besproken uitspraken bouwt de Afdeling daarop voort en heeft de Afdeling overwogen dat het college niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het maximumaantal van 377 ligplaatsen ingevoerd moest worden en waarom deze wijziging geschikt, noodzakelijk en evenredig is.

Voor de Amsterdamse rederijen betekent dit dat hun vergunningen voor onbepaalde tijd voorlopig in stand blijven. Het college heeft achttien weken gekregen om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, ditmaal met toepassing van de Dienstenrichtlijn.

ABRvS 25 februari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:823.
ABRvS 25 februari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:1058.

Artikel delen