Rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2026:1070. De rechtbank stelt vast dat het college in het besluit van 1 juni 2023 alleen heeft beslist op het onderdeel van de aanvraag dat ziet op het maken van handelsreclame. Alleen voor deze activiteit is een vergunning verleend en het dictum van het besluit ziet alleen op deze activiteit. Het college heeft geen (expliciet) besluit genomen over de andere twee aangevraagde activiteiten: het vestigen van de sportschool en het intern verbouwen daarvan. Uit de motivering van het besluit van 1 juni 2023 blijkt wel dat het college zich op het standpunt stelt dat voor die activiteiten geen vergunning nodig is.

Volgens vaste rechtspraak geldt dat het bestuursorgaan, als voor een aangevraagde activiteit geen vergunningplicht bestaat, niet bevoegd is daarvoor een vergunning te verlenen. In dat geval moet het bestuursorgaan de aanvraag voor die activiteit afwijzen door middel van een positieve weigering. Dit betekent dat het dictum van het besluit duidelijk moet vermelden dat voor deze activiteiten geen vergunning wordt verleend omdat ze vergunningvrij zijn. Het expliciet opnemen van een positieve weigering in het dictum is van belang voor de rechtszekerheid van zowel de aanvrager als eventuele derde-belanghebbende(n). Alleen dan is duidelijk welke onderdelen van de aanvraag zijn geweigerd en kunnen belanghebbenden daartegen bezwaar of beroep instellen (ECLI:NL:RVS:2024:131).
Nu het college voor de twee aangevraagde activiteiten geen positieve weigering in het dictum heeft opgenomen, en dit niet heeft hersteld in het bestreden besluit, is het bestreden besluit op dit punt onvolledig en kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit. Het college had deze onderdelen expliciet moeten afwijzen.
De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld. Het opnemen van een positieve weigering in het dictum had niet tot een andere uitkomst van de procedure geleid, omdat het college in de motivering van het besluit duidelijk heeft aangegeven dat en waarom voor deze twee activiteiten geen vergunning nodig is. Het is ook niet aannemelijk dat, mede gelet op de eventuele andere belanghebbende(n), iemand door deze schending in zijn rechtspositie is geschaad. Zowel voor de aanvrager als voor omwonenden was immers op basis van de motivering van het bestreden besluit duidelijk wat het standpunt van het college over deze activiteiten is. De rechtbank zal dit gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.