Na verschillende uitspraken van rechtbanken over handhaving van de artikelen 5.1 en 5.5 van de Omgevingswet heeft de voorzieningenrechter van de ABRvS nu voor het eerst uitspraak (14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1074) gedaan over een sanctiebesluit gebaseerd op deze artikelen. Op grond van art. 5.1, lid 1 onder a Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Art. 5.5 Ow verbiedt het om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning.
Verzoeker is eigenaar van perceel waar hij een B&B exploiteert.
In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Dat bestemmingsplan maakt op grond van art. 4.6, lid 1, en onder a, van de Invoeringswet Ow onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, als bedoeld in art. 22.1 Ow.
In art. 22.4.3, onder a, sub 3, van de planregels is bepaald dat tot een strijdig gebruik met de bestemming "Wonen" in elk geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen. In dit geval is sprake van een overtreding van art. 5.1, lid 1, onder a Ow en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
Op basis van controles stelt het college zich op het standpunt dat verzoeker in strijd met het omgevingsplan handelt door een seksinrichting te exploiteren zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Dit is volgens het college in strijd met art. 5.1, lid 1, onder a Ow. Ook handelt verzoeker volgens het college in strijd met de voorschriften uit de omgevingsvergunning, omdat hij geen nachtregister bijhoudt en deze dus ook niet heeft gedeeld met de gemeente. Dit is volgens het college in strijd met art. 5.5, lid 2, onder a, Ow.
Verzoeker betoogt ook nog dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat [verzoeker] in strijd handelt met art. 5.5, lid 2, onder a Ow, omdat hij geen nachtregister bijhoudt.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het college terecht gevolgd in het standpunt dat verzoeker geen nachtregister heeft bijgehouden, en verzoeker heeft dat toen ook niet betwist. Dat verzoeker inmiddels wel een nachtregister bijhoudt, maakt niet dat het college de last niet heeft kunnen opleggen. De stelling dat de overtreding inmiddels is beëindigd, verplicht het college niet om de opgelegde last onder dwangsom in te trekken. De rechtbank heeft hierbij bovendien terecht in aanmerking genomen dat de last ook is gericht op het beëindigd houden van de overtreding. De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er in dit geval sprake is van een overtreding van art. 5.5, lid 2, onder a Ow en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.