Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Eerste Afdelingsuitspraak over onteigening onder de Omgevingswet

Omgevingswet: Raad van State is hoogste rechter geworden. Met de invoering van de Omgevingswet is ook het onteigeningsrecht in die wet opgenomen en ingrijpend veranderd. Het is sindsdien het bestuursorgaan zelf (hier de gemeenteraad) dat besluit tot onteigening. Dat gebeurt met een onteigeningsbeschikking, die door de bestuursrechter moet worden bekrachtigd om de eigendom te kunnen laten overgaan.

16 February 2026

Samenvattingen

Tot 1 januari 2024 was het de civiele rechter die de noodzaak en rechtmatigheid van onteigening toetste. De tweede fase van een onteigeningsprocedure, de schadeloosstelling voor die onteigening, was en blijft het domein van de civiele rechter.

De Afdeling bestuursrechtspraak is door de Omgevingswet de hoogste rechter geworden die beslist over de criteria voor onteigening. Tegen bekrachtigingsuitspraken van de rechtbank kan bij de Afdeling hoger beroep worden ingesteld. Omdat de eerste fase van het onteigeningsrecht (die tot overgang van de eigendom moet leiden) ingrijpend is gewijzigd, wordt reikhalzend uitgekeken naar jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt hoe verschillende onderwerpen in de praktijk getoetst zullen worden.

Bekrachtigingsuitspraak van de rechtbank

Op 4 februari 2026 (ABRvS 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:629) heeft de Afdeling voor het eerst uitspraak gedaan op een hoger beroep tegen een bekrachtigingsuitspraak. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had op 1 oktober 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:6581) de onteigeningsbeschikking van (de raad van) de gemeente Moerdijk gedeeltelijk bekrachtigd. De rechtbank toetst in de bekrachtigingsprocedure onder meer de noodzaak tot onteigening, en of een voldoende poging tot minnelijke verwerving is gedaan. Over één van de percelen (perceel G659), was met de eigenaar (de Staat) ten tijde van de rechtbankuitspraak overeenstemming over minnelijke verwerving bereikt, maar met de pachter nog niet. De rechtbank had daarom de bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking voor wat betreft G659 afgewezen voor zover deze op het eigendomsrecht zag, en toegewezen voor het pachtrecht.

Hoger beroep bij de Afdeling: de onroerende zaak wordt onteigend, geen afzonderlijke onteigening van een pachtrecht

De raad is hiertegen in hoger beroep gegaan (er is geen incidenteel hoger beroep ingesteld, dus andere onderwerpen lagen niet voor). Het pachtrecht kan niet afzonderlijk tot onteigening worden aangewezen; het vervallen ervan gaat via de band van de titelzuiverende werking van de onteigening van de onroerende zaak. Zij geeft aan mogelijke problemen te voorzien bij de inschrijving van de onteigeningsakte in de registers.

De raad krijgt gelijk en zelfs ‘kennelijk’ gelijk; de zaak is zonder zitting vereenvoudigd behandeld (art. 8:54 Awb). Onder de Omgevingswet kan niet een bepaald beperkt of persoonlijk recht afzonderlijk worden onteigend (onder de Onteigeningswet kon dat wel). De onroerende zaak wordt ter onteigening aangewezen, constateert de Afdeling. Door onteigening verkrijgt de onteigenaar de eigendom vrij van alle lasten en rechten (de ‘titelzuiverende werking’ van de onteigening). Daarmee wordt de onroerende zaak dan ook van het pachtrecht bevrijd. De rechtbank had in dit geval niet het bekrachtigingsverzoek voor dit perceel gedeeltelijk moeten afwijzen, maar geheel moeten bevestigen. De Afdeling bekrachtigt alsnog de onteigeningsbeschikking voor dit perceel.

De Afdeling merkt nog op dat art. 16.108 lid 2 van de Omgevingswet inderdaad voorziet in de mogelijkheid van gedeeltelijke bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking. Maar die mogelijkheid ziet op het geval dat de rechtbank concludeert dat voor een deel van de betrokken onroerende zaak of zaken niet wordt voldaan aan de onteigeningscriteria (en voor een ander deel wel).

Deze blog is ook verschenen in de nieuwsbrief van Sdu.

Artikel delen