Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Eerste bopa uitspraak abrvs! (voorzieningenrechter), 103e bopa-uitspraak

Op 20 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1615) heeft voor het eerst de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich uitgesproken over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het gaat over een uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS inzake het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6928 (zaaknummer UTR 25/4027).

20 March 2026

Meer hierover in mijn eerdere blog over de 81ste rechterlijke uitspraak BOPA: https://omgevingsweb.nl/samenvatting/81ste-uitspraak-bopa-o-a-gebrekkige-verplichte-participatie-toch-gepasseerd-met-toepassing-art-622-awb/

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college aan Stedin Netbeheer B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwwerken’ voor het plaatsen van een verdeelstation op het parkeerterrein ter hoogte van Tulpstraat 14 in Zeist.

Bij besluit van 22 mei 2025, gewijzigd bij besluit van 29 september 2025, heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaak nr. 25/4027).

Op 4 september 2024 heeft Stedin een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een verdeelstation op het parkeerterrein ter hoogte van de Tulpstraat 14 in Zeist.

Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Volgens het college is het bouwplan in strijd met de regels van het bestemmingsplan "Zeist Centrum e.o.". Dat bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zeist. Het bouwplan voldoet niet aan de regels van dat bestemmingsplan, omdat een verdeelstation niet valt onder de toegestane bouwwerken zoals genoemd in artikel 17.2.1, aanhef en onder a, en omdat de op grond van artikel 17.2.2, aanhef en onder b, toegestane oppervlakte en bouwhoogte worden overschreden.

Bij besluit van 22 mei 2025 heeft het college het besluit van 7 november 2024 in stand gelaten.

Bij besluit van 29 september 2025 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen en op verzoek van Stedin een ander type verdeelstation vergund.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt of de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure in stand zal blijven. Als de voorzieningenrechter in de hoger beroepsgronden van [verzoeker] redenen vindt voor gerede twijfel aan de uitspraak van de rechtbank, dan kan dat aanleiding zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

[verzoeker] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor zijn monumentale woning aan de Tulpstraat 14. Hij voert in dit verband aan dat de zichtbaarheid van de zij- en achtergevel van zijn woning vanuit de openbare ruimte wordt beperkt door de plaatsing van het verdeelstation.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verdeelstation op korte afstand van de zij- en achtergevel van de woning van [verzoeker] op het naastgelegen parkeerterrein wordt geplaatst. De gemeentelijke erfgoedadviseur heeft beoordeeld of de plaatsing van het verdeelstation aantasting van het monument door ontsiering of beschadiging zou veroorzaken. Daarbij is geconcludeerd dat de vanuit monumentaal oogpunt belangrijkste gevel, de voorgevel aan de Tulpstraat, niet wordt ontsierd door de plaatsing van het verdeelstation. De beleving van de voorgevels verandert niet, omdat het verdeelstation achter het verlengde van de achtergevel van het monumentale pand komt te liggen. Vanuit de Tulpstraat bezien blijft bovendien voor het verdeelstation de bestaande groenstrook met opgaand groen liggen. De zichtbaarheid van de zij- en achtergevel wordt volgens de erfgoedadviseur weliswaar enigszins belemmerd door de plaatsing van het verdeelstation, maar deze gevels hebben volgens de erfgoedadviseur niet een dusdanig hoge monumentale waarde dat van een onevenredige aantasting sprake is, mede gelet op het algemeen belang dat met het realiseren van het verdeelstation is gediend.

Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het grootste gedeelte van de woning van [verzoeker] al aan het zicht wordt onttrokken door een tuinmuur die langs de erfgrens is geplaatst. Daarnaast heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat wat betreft de hoogte sprake is van slechts een geringe afwijking van het bestemmingsplan. Het te plaatsen verdeelstation heeft een hoogte van 3,26 m en is daarmee 26 cm hoger dan de bouwhoogte die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wordt het zicht vanuit de openbare ruimte op de zij- en achtergevel van de monumentale woning van [verzoeker] maar beperkt weggenomen door de geringe overschrijding van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor gerede twijfel aan de conclusie van de rechtbank dat het college in de belangenafweging voldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de plaatsing van het verdeelstation voor de monumentale woning van [verzoeker].

Verder ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] voor het overige naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal blijven en/of dat het college de omgevingsvergunning uiteindelijk niet had mogen verlenen.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat [verzoeker] in zijn hoger beroepschrift verschillende nieuwe gronden heeft aangevoerd, onder meer over stralings-, trillings-, geluid-, en lichthinder, waardevermindering van zijn woning en verkeersveiligheid, terwijl er geen belemmering was om die gronden al in de fase van beroep naar voren te brengen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze gronden niet inhoudelijk  worden besproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Artikel delen