Op 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een richtinggevende uitspraak gedaan waarbij een nieuwe standaardoverweging is geintroduceerd over de beginselplicht tot handhaving en waarbij het leerstuk van concreet zicht op legalisering is ingebed in de evenredigheidstoets. Zie hierover: Nieuwe standaardoverweging beginselplicht tot handhaving ABRvS!
De rechtbank Overijssel heeft de primeur om als rechtbank voor het eerst toepassing te geven aan deze nieuwe standaardoverweging. Dit is gebeurd in de uitspraak 13 maart 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:1378. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is.
Van concreet zicht op legalisatie van de overtreding is geen sprake. Eiseres heeft schriftelijk geïnformeerd naar de mogelijkheden van legalisatie maar heeft geen aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwwerk en het strijdig gebruik ingediend en het college is ook niet bereid hiervoor omgevingsvergunningen te verlenen.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk in herinnering heeft gebracht in de uitspraak van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678) geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Awb. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:285). Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is.
Van concreet zicht op legalisatie van de overtreding is geen sprake. Eiseres heeft schriftelijk geïnformeerd naar de mogelijkheden van legalisatie maar heeft geen aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwwerk en het strijdig gebruik ingediend en het college is ook niet bereid hiervoor omgevingsvergunningen te verlenen.
Voor zover eiseres stelt dat het feit dat eerder niet handhavend is opgetreden tegen het bouwwerk terwijl het college op de hoogte was van de aanwezigheid van het bouwwerk op het perceel, ertoe leidt dat handhaving tegen de op het perceel aanwezige bouwwerken en het strijdig gebruik nu in zoverre onevenredig zou zijn, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Dat het college na het opleggen van een bouwstop op 5 oktober 2015 toch niet handhavend heeft opgetreden tegen de veldschuur betekent niet dat het college op 28 mei 2024 geen last onder dwangsom mocht opleggen om de veldschuur te verwijderen. Hierbij is van belang dat het college eiseres tijd en ruimte heeft willen geven om eventuele mogelijkheden tot legalisatie in het kader van vaststelling van het nieuwe Omgevingsplan te onderzoeken en voorts dat het college tijd nodig heeft gehad om via de totstandkoming van een nieuw Omgevingsplan duidelijkheid te geven over de plek van veldschuren. Eiseres is hierover geïnformeerd bij brief van 23 januari 2017. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college daarbij de indruk of het vertrouwen heeft gewekt dat er uiteindelijk niet gehandhaafd zou worden.
Dat het besluit tot handhaving tot kapitaalvernietiging leidt en dus grote financiële gevolgen voor eiseres heeft maakt handhavend optreden niet onevenredig. Dit geldt eveneens voor het door eiseres gestelde dat zij lange tijd in onzekerheid heeft gezeten, wat spanning en stress heeft veroorzaakt. Gesteld noch gebleken is dat eisers niet wist en ook niet kon weten dat het vervangen van de oude veldschuur door een grotere veldschuur deels op een andere plek niet is toegestaan.
Uit de onderliggende stukken blijkt dat een medewerkster van het college eiserEs bij mailbericht van 16 september 2014 nog heeft gewaarschuwd dat veldschuren in het kader van onderhoud geheel vernieuwd mogen worden conform bestaande afmetingen, maar dat ze niet uitgebreid mogen worden.
De omstandigheid dat het college naar zeggen van eiseres, elders illegale situaties gedoogt of achteraf legaliseert, geeft op zichzelf onvoldoende reden om te concluderen dat er ook in de voorliggende zaak sprake is van handelen van het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Hieruit volgt dat het college niet van handhavend optreden had moeten afzien.