Rechtbank Gelderland 10 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2577. [eiseres 1] is voor 1/114e deel eigenaar van de gemeenschappelijke gronden op het bospark waarop de recreatiewoning is gelegen. Dit maakt haar in beginsel belanghebbende bij het handhavingsverzoek. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de eventuele gevolgen die zij ondervindt, zodanig beperkt zijn dat dit geen belanghebbendheid oplevert.

De rb. verwijst hierbij naar ABRvS (3 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3212). Uit deze uitspraak volgt dat bij mandelig of gezamenlijk eigendom betekenis toekomt aan de rechtspraak over de gevolgen van enige betekenis. In dit geval is het aandeel van [eiseres 1] 1/114e deel als eigenaresse van de gemeenschappelijke gronden te beperkt om aan te kunnen nemen dat zij daadwerkelijk gevolgen ondervindt van de in deze zaak gestelde overtreding bestaande uit het permanent bewonen van een recreatiewoning op het bospark.
Daarbij is van doorslaggevend belang dat de recreatiewoning van [eiseres 1] op ongeveer 250 meter afstand ligt van de recreatiewoning waarop het handhavingsverzoek ziet. Ook heeft [eiseres 1] vanuit haar recreatiewoning geen zicht op die recreatiewoning. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat [eiseres 1] daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervindt van de permante bewoning van de recreatiewoning. Dat als gevolg van de permanente bewoning van één recreatiewoning het bospark verpaupert, het bospark aantrekkelijk wordt gemaakt voor criminele activiteiten en deze bewoning grote gevolgen heeft voor de planologische uitstraling van het bospark is niet aannemelijk gemaakt.
Daarbij merkt de rb. op dat de aangevoerde omstandigheden algemeen van aard zijn en dit algemene belang [eiseres 1] niet voldoende onderscheidt van anderen. Dit voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres 1] door de permante bewoning van de recreatiewoning geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.
Dat volgens eisers in de verzekeringsvoorwaarden is opgenomen dat gebruik in strijd met het bestemmingsplan een reden is om eventuele schade niet te vergoeden, maakt [eiseres 1] evenmin belanghebbende. Daartoe is van belang dat de opstalverzekering op naam staat van de vereniging van eigenaren van het bospark en daarmee [eiseres 1] als lid van de vereniging van eigenaren een zogenoemd afgeleid belang heeft. Het door eisers aangedragen belang, de hoofdelijke aansprakelijkheid als lid van de vereniging van eigenaren wanneer de dekking van de opstalverzekering vervalt, berust op een privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen [eiseres 1] en de vereniging van eigenaren (zie art. 5:113 BW).
Eiseres 1] is geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek.