Rechtbank Gelderland 27 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1391. Het college heeft met het besluit van 12 november 2025 een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster moet de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet en artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Elburg beëindigen en beëindigd houden. Dit kan zij doen door de zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken te verwijderen. Het gaat om de schuilstal met nachtkraal en de fundering.

Om te spreken van concreet zicht op legalisatie wanneer een bouwwerk niet past in het omgevingsplan, zoals in dit geval, is tenminste een ontvankelijke vergunningaanvraag en een kenbare bereidheid van het college om de vergunning te verlenen nodig. In dat kader is het relevant dat verzoekster op 3 november 2025, dus voor het besluit van 12 november 2025, een aanvraag heeft ingediend voor de omgevingsvergunning ter legalisatie van de schuilstal. Er is echter geen kenbare bereidheid van het college om de benodigde vergunning te verlenen.
Het is vaste rechtspraak dat dan geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college heeft op 5 juni 2025 kenbaar gemaakt niet mee te zullen werken aan vergunningverlening ter legalisatie van de schuilstal in huidige vorm, aangezien het initiatief is afgewezen door de intaketafel. Inmiddels is de aangevraagde omgevingsvergunning ook geweigerd. De weigering is ook niet op voorhand rechtens onhoudbaar.
Het college heeft in het besluit van 22 december 2025 toegelicht dat de huidige schuilstal niet vergund kan worden conform de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.
Medewerking aan afwijking van het omgevingsplan is volgens het college niet wenselijk, vanwege de huidige locatie van de schuilstal, de noodzaak tot landschappelijke inpassing en de maatvoering van de huidige schuilstal. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat aan het college beleidsruimte toekomt bij de vraag of afgeweken kan worden van het omgevingsplan. De rechter toetst of het besluit in overeenstemming is met het recht en de voorzieningenrechter ziet op voorhand geen reden om aan te nemen dat de weigering van de omgevingsvergunning niet in overeenstemming is met het recht.