Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Geen onlosmakelijke samenhang meer onder Omgevingswet, toch onvoldoende afstemming tussen BOPA en bouwtechnische activiteit (124e uitspraak BOPA)

Onder de Omgevingswet is afscheid genomen van het leerstuk van de onlosmakelijke samenhang zoals die bestond onder de Wabo. Meer hierover is te lezen in mijn artikel voor Land- en Tuinbouwbulletin. 1)

30 April 2026

Samenvattingen

Ondanks het vervallen van de onlosmakelijke samenhang is het in de praktijk toch niet zo dat andere noodzakelijke vergunningen nooit een rol spelen bij de BOPA (in het kader van de vraag of het project niet onuitvoerbaar is). De rechtbank Oost-Brabant deed op 30 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2505 hieromtrent een relevante uitspraak over onvoldoende afstemming tussen het ruimtelijk spoor van de BOPA met de (onherroepelijke) vergunning voor de technische bouwactiviteit.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Er zijn in de loop der tijd verschillende wijzigingen doorgevoerd in het project en daardoor is in het bestreden besluit onvoldoende gekeken naar de maatvoeringsaspecten en in hoeverre de verschillende vergunningen op elkaar zijn afgestemd. Het college wenst het bestreden besluit te herzien en daarbij in samenspraak met zowel eiseres als vergunninghouder een oplossing te vinden die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen. Daarbij wenst het college de technische bouwvergunning, die inmiddels is verleend, ook nader te bezien.

Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het collegestandpunt laat geen andere conclusie toe dan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het college niet alle consequenties van de aangevraagde maatvoering in zijn besluitvorming heeft verdisconteerd. Dat de vergunninghouder feitelijk niet op het perceel van eiseres heeft gebouwd, is in dit verband niet relevant. Het is immers niet de feitelijke situatie die ter beoordeling voorligt, maar de vergunde situatie. Dat de door eiseres geconstateerde problemen mogelijk op te lossen zijn in de technische bouwvergunning, betekent ook niet dat de maatvoeringsaspecten in de ruimtelijke bouwvergunning zorgvuldig zijn beoordeeld.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Deze zaak gaat over een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw en het renoveren van een dak.

De vergunninghouder heeft op 19 januari 2023 – dus met toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht – een omgevingsvergunning gekregen voor het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van het bestemmingsplan voor deze werkzaamheden. Deze vergunning was nodig omdat de goothoogte door de werkzaamheden 7,60 meter zouden bedragen en dat was hoger dan de 6,00 meter die het bestemmingsplan toestond. Deze vergunning is inmiddels onherroepelijk.

Omdat de vergunninghouder buiten de maatvoering van deze vergunning was getreden bij de realisering van de werkzaamheden, heeft de vergunninghouder op aandringen van het college op 6 augustus 2024 een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwen aangevraagd. Dat is de vergunning waar deze zaak over gaat. Vanwege de aanvraagdatum van deze vergunning is de Omgevingswet van toepassing op het besluit op deze aanvraag. In deze omgevingsvergunning is de goothoogte van de dakconstructie met zeven centimeter verhoogd van 7,60 meter naar 7,67 meter. Aangezien deze goothoogte hoger is dan het omgevingsplan toelaat, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college heeft de vergunning daarom verleend met toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Beoordeling door de rechtbank

Volgens eiseres is de maatvoering van de vergunde werkzaamheden dusdanig, dat op en boven haar perceel wordt gebouwd. Zij vreest hierdoor voor lekkages, die zich volgens haar al voordoen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Er zijn in de loop der tijd verschillende wijzigingen doorgevoerd in het project en daardoor is in het bestreden besluit onvoldoende gekeken naar de maatvoeringsaspecten en in hoeverre de verschillende vergunningen op elkaar zijn afgestemd. Het college wenst het bestreden besluit te herzien en daarbij in samenspraak met zowel eiseres als vergunninghouder een oplossing te vinden die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen. Daarbij wenst het college de technische bouwvergunning, die inmiddels is verleend, ook nader te bezien.

De vergunninghouder heeft aangevoerd dat de werkzaamheden al zijn uitgevoerd en dat het niet nodig is gebleken om op of over het perceel van eiseres te bouwen. Zo er inderdaad sprake is van lekkages, is dit een civielrechtelijke kwestie die niet thuishoort in deze bestuursrechtelijke procedure. Inmiddels is er overigens een technische bouwvergunning verleend die, in samenhang bezien met de ruimtelijke bouwvergunning, een voldoende afbakening van de vergunde activiteit vormt.

De beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het collegestandpunt laat geen andere conclusie toe dan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het college niet alle consequenties van de aangevraagde maatvoering in zijn besluitvorming heeft verdisconteerd. Dat de vergunninghouder feitelijk niet op het perceel van eiseres heeft gebouwd, is in dit verband niet relevant. Het is immers niet de feitelijke situatie die ter beoordeling voorligt, maar de vergunde situatie. Dat de door eiseres geconstateerde problemen mogelijk op te lossen zijn in de technische bouwvergunning, betekent ook niet dat de maatvoeringsaspecten in de ruimtelijke bouwvergunning zorgvuldig zijn beoordeeld.

De overige beroepsgronden zien op het bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering, aangezien eiseres zegt geen medewerking te zullen verlenen aan werkzaamheden op, boven of met gebruikmaking van haar perceel. Deze beroepsgronden behoeven geen bespreking. Het college zal bij het nieuw te nemen besluit moeten bezien in hoeverre er (nog) sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Het college moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Daarbij zal het college opnieuw moeten beoordelen of de aangevraagde vergunning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend.

  1. https://www.pouderoyentonnaer.nl/actueel/artikel-over-vervallen-onlosmakelijke-samenhang-onder-de-omgevingswet-1.html

Artikel delen