Uit de Afdelingsuitspraak van 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4953) volgt dat geen ruimte bestaat voor een contra-legem toetsing van een wettelijke bepaling aan het evenredigheidsbeginsel, als de uitkomst daarvan op onaanvaardbare wijze in strijd komt met het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een afgewezen handhavingsverzoek van een aantal ondernemers.

Die hadden het college verzocht om handhavend optreden jegens de eigenaren en gebruikers van de woonboten die (beweerdelijk) in strijd met het bestemmingsplan op het gezoneerde industrieterrein aangemeerd lagen. Het college had het handhavingsverzoek op grond van art. 8.2a, tweede lid, Wabo afgewezen. Het wetsartikel bepaalt, voor zover hier relevant, dat een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf in bepaalde situaties gelijk wordt gesteld met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, Wabo is verleend. In hoger beroep betogen de ondernemers onder meer dat art. 8.2a, tweede lid, Wabo buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de toepassing ervan in dit geval gevolgen heeft die de wetgever niet kan hebben bedoeld of voorzien. De Afdeling vat dit betoog zo op, dat bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van een overtreding van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, Wabo voordoet, het bepaalde in artikel 8.2a, tweede lid, Wabo op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet blijven. De Afdeling overweegt dat de toepassing van een wettelijke bepaling achterwege moet blijven, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever én de toepassing van de bepaling leidt tot flagrante strijd met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht (vgl. de Afdelingsuitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772). Aan een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel komt de Afdeling in dit geval evenwel niet toe: het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling, zoals in dit geval art. 8.2a, tweede lid, Wabo, zou namelijk betekenen dat een overtreding (in de zin van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, Wabo) wordt aangenomen, zonder dat deze voortvloeit uit de wettelijke voorschriften zoals die golden ten tijde van de gedraging. Een dergelijke invulling van de contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht zou in dat geval op onaanvaardbare wijze in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel, zoals dat voor handhaving ook in art. 5:4, tweede lid, Awb is neergelegd. Uit deze laatstbedoelde bepaling volgt dat een voorschrift dat door bestuurlijke sancties wordt gehandhaafd, voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn. Dat betekent onder meer dat een bestuurlijke sanctie alleen maar wordt opgelegd als de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. De Afdeling concludeert dat in dit geval geen aanleiding bestaat om art. 8.2a, tweede lid, Wabo buiten toepassing te laten.