Stel je voor: de buren breiden hun woning uit met een flinke aanbouw. Voor de aanbouw zijn in 2020, 2025 en 2026 omgevingsvergunningen verleend. Twee buren zijn het er niet mee eens. Er worden bezwaarschriften ingediend en de rechter wordt meerdere malen gevraagd om een bouwstop (voorlopige voorziening).

In deze uitspraak werden twee verzoeken tot voorlopige voorzieningen behandeld. De buren hebben 1) bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een door verzoekers zelf opgestelde notitie van een telefoongesprek met de gemachtigde van het college (de telefoonnotitie). Ook is ingediend 2) een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning van 5 februari 2026.
Samenvattend komt de rechter tot de volgende conclusie:
1. Een telefoonnotitie is géén besluit
Verzoekers maakten een eigen verslag van een telefoongesprek met de gemeente en probeerden tegen hun eigen telefoonnotitie bezwaar te maken. De rechter maakte daar korte metten mee: een besluit moet een schriftelijke beslissing zijn van een bestuursorgaan met een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een eigen krabbel over een belletje valt daar nooit onder. Resultaat: bezwaar niet-ontvankelijk.
2. Bestuurlijke rommeligheid ≠ spoedeisendheid
De voorzieningenrechter stelt vast dat de besluitvorming van het college voor het realiseren van de aanbouw rommelig is verlopen. De omgevingsvergunning uit 2020 werd op 22 januari 2026 ingetrokken. Die intrekking is vervolgens met een besluit op het bezwaar van vergunninghouders van 5 februari 2026 weer herroepen. Daarmee is de omgevingsvergunning uit 2020 weer herleefd. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de omgevingsvergunning een herstelbesluit is op een omgevingsvergunning van 13 november 2025, omdat daarin fouten zouden staan. Zo’n rommelige besluitvorming is voor zowel verzoekers als vergunninghouders vervelend, maar dat maakt de omgevingsvergunning nog niet onrechtmatig. De rommelige besluitvorming is voor de voorzieningenrechter daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
3. "Het staat er al bijna" geeft geen recht op actie
Een veelgehoord argument: "Rechter, de bouw is bijna klaar, als u nu niet ingrijpt is het onomkeerbaar!" De voorzieningenrechter oordeelt hier heel helder. Bouwen gebeurt altijd voor eigen rekening en risico zolang de vergunning niet onherroepelijk is. Een aanbouw kan altijd weer worden afgebroken of aangepast, ook als hij al in gebruik is. Daarom is er geen sprake van een 'onomkeerbare situatie' en dus geen spoedeisend belang.
Door Marc Hölzmann