In haar uitspraak van 12 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5420) bevestigt de Afdeling de hoofdregel dat bij het nemen van een besluit op een aanvraag in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (toetsing ex nunc) en dat voor het maken van een uitzondering hierop (toetsing ex tunc) slechts ruimte is als ten tijde van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van de gewenste toestemming.

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een verleende omgevingsvergunning voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten in een reguliere woning. De eigenaar van de woning had toestemming gevraagd voor het huisvesten van zes personen, maar na bezwaren van omwonenden had het college dit aantal op basis van de inmiddels gewijzigde beleidsregel over de mogelijkheden tot planologisch afwijken van het bestemmingsplan teruggebracht tot vier. In hoger beroep betoogt de woningeigenaar dat hij op grond van de voorheen geldende beleidsregels rechtstreeks aanspraak kon maken op het huisvesten van zes personen en dat het college bij de beslissing op bezwaar daarom ten onrechte de gewijzigde beleidsregel heeft toegepast. De Afdeling overweegt dat, anders dan de woningeigenaar stelt, van een rechtstreekse aanspraak voor de gewenste huisvesting ten tijde van indiening van de aanvraag geen sprake was: de beoogde activiteit was immers niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2505). Om die reden bestaat volgens de Afdeling voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel dat bij de beslissing op bezwaar ex nunc moet worden getoetst geen aanleiding. De Afdeling concludeert dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan de op dat moment geldende (nieuwe) beleidsregel en niet aan de inmiddels vervallen beleidsregel.