De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vandaag (25 februari 2025) vijftien uitspraken gedaan over ligplaatsvergunningen voor de passagiersvaart in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zette deze vergunningen om van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. De reders kwamen daartegen in hoger beroep. De uitkomst is dat het college van B&W in bijna alle zaken opnieuw moet beslissen op de bezwaren van de reders tegen deze omzetting.

Weliswaar maken de gemeentelijke regels het mogelijk een ligplaatsvergunning te wijzigen als dat nodig omdat de omstandigheden veranderen. Maar het college van B&W heeft niet duidelijk gemaakt dat daarvan sprake is en waarom de wijziging van de ligplaatsvergunningen dus gerechtvaardigd is. Op het moment dat het college van B&W in maart 2023 besloot om de ligplaatsvergunningen om te zetten van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd had het college van B&W de exploitatievergunningen voor de passagiersvaart al omgezet naar bepaalde tijd. Een omzetting van de ligplaatsvergunningen naar bepaalde tijd sluit daar volgens het college van B&W bij aan. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in september 2024 dat de omzetting van de exploitatievergunningen naar bepaalde tijd niet rechtmatig was. Als gevolg daarvan gelden de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd. Daarom is er - achteraf bezien - dus geen sprake van veranderde omstandigheden.
Ook heeft het college van B&W nagelaten om bij de besluiten tot omzetting van de ligplaatsvergunningen naar bepaalde tijd te toetsen aan de Europese Dienstenrichtlijn. Dat is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak wel nodig.
Lees hier een van de 15 uitspraken
De andere uitspraken met zaaknummers 202406382/1, 202406383/1, 202406387/1, 202406389/1, 202406391/1, 202406393/1, 202406395/1, 202406396/1, 202406397/1, 202406405/1, 202406408/1, 202406418/1, 202406420/1 en 202406423/1 staan ook op de website van de Raad van State.