De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1389) dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) de geldigheidsduur van de verleende vergunningen voor de exploitatie van een Bed & Breakfast (“B&B”) terecht heeft beperkt. In hoger beroep stelden diverse B&B-exploitanten de beperkte beschikbaarheid van het aantal B&B-vergunningen én de beperkte geldigheidsduur ervan ter discussie; beiden zouden niet gerechtvaardigd zijn door een dwingende reden van algemeen belang (zoals bedoeld in art. 11, eerste lid, aanhef en onder b, Dienstenrichtlijn).

De Afdeling stelt vast dat de vergunningplicht besloten ligt in de lokale Huisvestingsverordening en dat deze tot doel heeft om de negatieve gevolgen van B&B’s voor de schaarse woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in woonwijken te beperken. Daartoe zijn per wijk quota’s voor het maximale aantal toe te laten B&B’s vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college toereikend gemotiveerd dat de beperking van het aantal beschikbare vergunningen bijdraagt aan de bescherming van de leefbaarheid en woonruimtevoorraad, zodat deze beperking gerechtvaardigd is door dringende redenen van algemeen belang in de zin van de Dienstenrichtlijn. Uit art. 11, eerste lid, Dienstenrichtlijn volgt dat als het aantal beschikbare vergunningen om een dwingende reden van algemeen belang beperkt is, deze vergunningen een beperkte geldigheidsduur moeten hebben. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat, gelet op het doel dat art. 11 Dienstenrichtlijn nastreeft - namelijk: het waarborgen van de toegang van dienstverrichters tot de betrokken markt - geen ruimte om hiervan af te wijken (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2015, Trijber, ECLI:EU:C:2015:641). De Afdeling concludeert dat het college de geldigheidsduur van de verleende vergunningen terecht heeft beperkt.