De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1922) dat de tijdens de hoger beroepsprocedure ingediende nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde deels buiten beschouwing moeten worden gelaten, ook al zijn deze (net) buiten de zogenoemde tiendagentermijn van art. 8:58 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) ingediend.

In geschil over een verleende omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een sporthal voor acht padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes dienden enkele appellanten kort voorafgaand aan de zitting in hoger beroep een nader stuk met onder meer opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop en twee notities van twee externe deskundigen. De Afdeling overweegt dat ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in art. 6:6 Awb, ter motivering van een eerdere beroepsgrond nieuwe argumenten kunnen worden aangevoerd en nieuw bewijs kan worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt volgens de Afdeling grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zaak op zitting komt. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van beide vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft een andere appellant één van beide overlegde notities al in een eerder stadium overgelegd, zodat deze notitie niet buiten beschouwing wordt gelaten. Dat geldt niet voor de overgelegde opnames en foto’s en toelichtingen daarop en de tweede notitie: volgens de Afdeling staan de omvang van de stukken, de complexiteit van de notitie en de omstandigheid dat deze stukken eerder hadden kunnen worden ingediend hieraan in de weg.