Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Goede procesorde en art. 15 en 16 EU Handvest in relatie tot geweigerde natuurvergunning

In deze zaak is hoger beroep aan de orde in verband met een geweigerde natuurvergunning voor een veehouderijbedrijf. Op 6 maart 2026, 24 dagen voor de mondelinge behandeling heeft appellante een brief met bijlagen (totaal 184 pagina’s) ingediend. In de brief wordt voor het eerst aangevoerd dat het college de aanvraag positief had moeten weigeren, omdat uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in Duitsland volgt dat significante gevolgen van een individuele ammoniakbijdrage die niet groter is dan 21,43 mol/ha/jr (0,3 kg/ha/jr) zijn uitgesloten.

18 April 2026

De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

De Afdeling betrekt het betoog over de Duitse rechtspraak niet bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat zij van oordeel is dat de goede procesorde zich daartegen verzet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het college door de complexiteit en omvang van deze stukken en het tijdstip van indiening daarvan, niet de mogelijkheid heeft gehad adequaat op deze stukken te reageren.

Appellante betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de weigering van de natuurvergunning ontoelaatbaar raakt aan haar recht om een vrijelijk gekozen beroep uit te oefenen en haar recht op vrijheid van ondernemerschap als bedoeld in artikel 15, eerste lid en artikel 16 van het EU Handvest. Hoewel natuurbescherming een doelstelling van algemeen belang is, beantwoordt de afwijzing van de gevraagde natuurvergunning volgens appellante niet aan de doelstelling van natuurbescherming. Ter ondersteuning van haar betoog verwijst zij naar het rapport "Nitrogen deposition around dairy farms: spatial and temporal patterns" van de Universiteit van Amsterdam. Zij leidt uit deze stukken af dat een melkveehouderij die op grotere afstand dan 500 meter van een Natura 2000-gebied ligt niet als bron van neergeslagen stikstofdepositie in dat gebied kan worden aangewezen. De natuurvergunningplicht zou daarom niet gebaseerd kunnen worden op een berekening van de stikstofdepositie met AERIUS.

De Afdeling ziet, na een uitgebreide overweging in de uitspraak, geen aanleiding voor het oordeel dat de natuurvergunningplicht niet noodzakelijk is en niet werkelijk beantwoordt aan het algemeen belang van natuurbescherming. De Afdeling betrekt daarbij dat zij in het UvA-rapport afleidt dat de meeste stikstofdepositie van melkveehouderijen op korte afstand van het bedrijf neerslaat en buiten die afstand niet meer aan de melkveehouderij kan worden toegerekend, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat AERIUS op dit moment niet het best beschikbare rekenmodel is voor de berekening van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

AbRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2076

Artikel delen